C-291/18 Grup Servicii Petroliere

C-291/18 Grup Servicii Petroliere

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 augustus 2018

Trefwoorden: btw; scheepvaart

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

In mei 2008 heeft verzoekster drie opvijzelbare offshoreboorplatformen verkocht die zich in de territoriale wateren van Roemenië bevonden. De verkoop is tot stand gekomen zonder dat de platformen zijn verplaatst. Voor de levering van de boorplatformen heeft verzoekster de btw-vrijstellingsregeling overeenkomstig artikel 148 van de btw-richtlijn en artikel 143(1)h van het belastingwetboek toegepast. Op 23.05.2016 heeft verweerder (de belastingdienst) een naheffing ten laste van verzoekster gelegd. Verweerder stelt dat er niet was aangetoond dat het betreffende schip daadwerkelijk en hoofdzakelijk op volle zee vaart, wat volgens verweerder een vereiste is voor de btw-vrijstelling. Verzoekster betoogt dat in de vrijstelling de nadruk op de voorwaarde van het “gebruik” op volle zee ligt, en niet op die van de “vaart” op volle zee (Elmeka-arrest). Volgens verzoekster komt de uitlegging van de belastingautoriteiten niet overeen met het nationale recht en het Unierecht aangaande de btw, omdat er een aanvullende voorwaarde wordt opgelegd (namelijk dat het schip moet varen). Verweerder bestrijdt niet dat de platformen schepen zijn en evenmin dat deze geschikt zijn voor gebruik in onbeperkte vaart op zee. Verweerder is echter wel van mening dat de platformen tijdens het boren niet varen, aangezien zij stationair zijn en de pijlers ervan omlaag worden gelaten, steunen op de zeebodem en de platformen (het drijflichaam) boven het water tillen tot een hoogte van 60-70 m. Verzoeksters bezwaar is op 24.11.2016 door verweerder  verworpen. Verzoekster heeft vervolgens bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen de aanslag, het verslag van de belastinginspectie en de beschikking op het bezwaar.

Overweging:

In de Roemeense wetgeving vallen de offshoreboorplatformen onder “drijvende constructies die normaal gesproken niet zijn bestemd voor verplaatsing”, waardoor impliciet de nadruk wordt gelegd op de voornaamste functie ervan, die niet vervoer is. Aan de andere kant blijkt uit de certificaten en documenten afgegeven door de Roemeense scheepvaartautoriteit dat de offshoreboorplatformen zijn geregistreerd in het centrale register van schepen. De verwijzende rechter wijst op het gebrek aan consensus op Unie-niveau, door de discussies in het btw-comité van de Commissie inzake de toepassing van artikel 148, onder c) juncto onder a), van de btw-richtlijn wat de kwalificatie van offshoreboorplatformen als schepen betreft met het oog op de toepassing van de btw-vrijstelling.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 148, onder c) juncto onder a), van richtlijn 2006/112/EG [van de Raad van 28 november 2006] betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde onder bepaalde voorwaarden geldt voor de levering van een opvijzelbaar offshoreboorplatform, dat wil zeggen dat een opvijzelbaar offshoreboorplatform onder het begrip „schip” in de zin van de voornoemde Unierechtelijke bepaling valt, aangezien die bepaling volgens het opschrift van hoofdstuk 7 van die richtlijn „vrijstellingen met betrekking tot internationaal vervoer” reglementeert?

2. Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 148, onder c) juncto onder a), van richtlijn 2006/112 dan aldus worden uitgelegd dat de wezenlijke voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde op een opvijzelbaar offshoreboorplatform dat tot op volle zee is gevaren, is dat dit boorplatform zich daar tijdens de exploitatie ervan (als commerciële/industriële activiteit) daadwerkelijk in mobiele, drijvende staat bevindt, door zich van het ene punt naar het andere over zee te verplaatsen, voor een langere tijdsperiode dan dat het zich als  gevolg van het uitvoeren van offshoreboorwerkzaamheden in stationaire, onbeweeglijke staat bevindt, dat wil zeggen dat de activiteit van het varen daadwerkelijk de overhand dient te hebben ten opzichte van die van het boren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: A C-33/16; Fast Bunkering Klaipėda C-526/13; Elmeka C-181/04–C-183/04; Commissie/Frankrijk C-197/12; A C-33/11.

Specifiek beleidsterrein: IenW; FIN-fiscaal