C-293/18 CCOO

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 augustus 2018

Trefwoorden: arbeidsovereenkomsten; discriminatie

Onderwerp:

-           Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;

Feiten:

Verzoeker (Galicische afdeling van de vakbond CCOO) heeft een vordering ingesteld tegen de Universidad de Santiago de Compostela, de vakbond UGT, en de confederatie van Galicische vakbonden (CIG). Verzoeker vordert erkenning van het recht van de personeelsleden met een tijdelijk contract op een vergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst die gelijk is aan de wettelijk vastgestelde vergoeding bij ontslag om objectieve redenen. Het betreft hier tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor de verrichting van onderzoekstaken in het kader van een specifiek en nieuw project die onderworpen zijn aan het werknemersstatuut en derhalve aan de arbeidswetgeving (predoctorale arbeidsovereenkomsten). Deze overeenkomsten hebben een vaste einddatum en omvatten in beginsel geen recht op een vergoeding. Artikel 49 van het werknemersstatuut sluit ad-interimpersoneel van de vergoeding. De universiteit wees het gevorderde recht af omdat er geen sprake zou zijn van discriminatie aangezien er geen vergelijkbare situatie bestaat bij een overeenkomst voor onbepaalde tijd vis-à- vis de tijdelijke overeenkomsten van de betrokken werknemers.

Overweging:

Het Hof heeft in zijn rechtspraak reeds geoordeeld dat ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd moet worden. De tijdelijkheid van een dienstverband kan op zichzelf geen “objectieve reden” vormen, anders zouden de doelstellingen van de richtlijn en de raamovereenkomst elke betekenis verliezen. De situatie in casu is verschillend m.b.t. de aard van de arbeidsovereenkomsten, ook al zijn deze van tijdelijke aard. Het betreft hier een vorm van dienstverband die bij wet 14/2011 wordt toegestaan voor universiteiten en wordt aangeduid als predoctorale arbeidsovereenkomst. De vraag rijst of er met betrekking tot dit personeel een situatie bestaat die vergelijkbaar is met die van het vaste personeel waarnaar in het arrest (C-177/10) wordt verwezen, waarbij de redenering in genoemd arrest niet strikt kan worden toegepast. Zo ja, bestaat er dan een subjectieve rechtvaardiging voor een verschillende behandeling, rekening houdend met het feit dat personeel dat is aangesteld voor de verrichting van een bepaalde taak of dienst recht heeft op de vergoeding van artikel 49, terwijl ad-interimpersoneel dat niet heeft.

Prejudiciële vragen:

1. Moet worden aangenomen dat werknemers die zijn aangesteld overeenkomstig artikel 20 van Ley 14/20[1]1[,] de 1 de junio[,] de la Ciencia, [la] Tecnología y la Innovación (wet 14/20[1]1 van 1 juni 2011 inzake wetenschap, technologie en innovatie) binnen de werkingssfeer vallen van de door het EVV,  de UNICE en het CE[E]P gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die aan de wieg stond van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999?

2. Moet de vergoeding bij beëindiging van arbeidsovereenkomsten worden beschouwd als een arbeidsvoorwaarde in de zin van clausule 4 van de raamovereenkomst?

3. Indien het antwoord op beide voorgaande vragen bevestigend luidt, moet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van werknemers die zijn aangesteld overeenkomstig Ley 14/20[1]1[,] de 1 de junio[,] de la Ciencia, [la] Tecnología y la Innovación dan worden gezien als vergelijkbaar met de beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd om objectieve redenen op grond van artikel 52 van het werknemersstatuut?

4. Indien het antwoord op bovenstaande vraag bevestigend is, bestaat er dan enige rechtsgrond voor de verschillen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Rosado Santana C-177/10; Vino C-20/10; Vino C-161/11; Rivas Montes C-178/12; Del Cerro Alonso C-307/05; Gavieiro Gavieiro en Iglesias Torres C-444/09 en C-456/09; Valenza e.a. C-302/11–C-305/11.

Specifiek beleidsterrein: SZW

Gerelateerde documenten