C-298/18

C-298/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 augustus 2018

Trefwoorden: overheidsopdrachten; vervoer

Onderwerp:

-           Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan;

Feiten:

Verweerster (SBN) exploiteerde sinds 01.01.2008 het openbaar vervoer in opdracht van de Landkreis Oberspreewald-Lausitz (een plattelandsregio). De Landkreis Oberspreewald-Lausitz gunt de opdracht voor lokale busvervoersdiensten telkens voor een duur van 120 maanden. SBN deed niet mee aan de nieuwe aanbesteding van de vervoersdiensten in september 2016 omdat SBN geen concurrerende offerte zou kunnen indienen. SBN besloot daarom haar bedrijfsactiviteiten te beëindigen en zegde al haar personeelsleden ontslag aan. Met de ondernemingsraad van SBN werd overeengekomen dat werknemers een individuele ontslagvergoeding krijgen als zij niet worden aangenomen door de nieuwe exploitant, of als zij er financieel op achteruitgaan. De opdracht werd uiteindelijk gegund aan KVG, welke een dochteronderneming (OSL) oprichtte. Per 01.08.2017 worden de vervoersdiensten in de regio door KVG en OSL verzorgd. KVG gaf aan geen behoefte te hebben aan de materiële bedrijfsmiddelen (waaronder bussen) van SBN. Verzoekers Grafe en Pohle waren sinds eind jaren zeventig in dienst bij SBN als voltijds buschauffeurs en ploegbazen. SBN zegde verzoekers bij brief van 27.01.2017 ontslag aan per 31.08.2017. Grafe is per 01.09.2017 in dienst bij OSL maar hij is in de laagste CAO-schaal ingedeeld; OSL weigert de vroegere dienstjaren te erkennen. Pohle kreeg geen baan aangeboden door KVG/OSL. Verzoekers verzetten zich tegen de ontslagen; Pohle verzoekt subsidiair om ontslagvergoeding.  OSL beroept zich op het arrest in C-172/99. OSL voert aan dat er geen materiële bedrijfsmiddelen zijn overgenomen en dat de overname van werknemers niet van essentieel belang is voor het verrichten van de diensten.

Overweging:

Het Hof heeft in zijn arrest C-172/99 geoordeeld dat busvervoer niet kan worden aangemerkt als een activiteit waarin de arbeidskrachten de voornaamste factor zijn, aangezien het een belangrijke inzet van materieel vereist. In een dergelijke sector, waarin materiële activa in belangrijke mate bijdragen aan de activiteit, moet het feit dat geen overgang van enig activa van de vorige naar de huidige opdrachtnemer heeft plaatsgevonden, evenwel tot de conclusie leiden, dat de eenheid haar identiteit niet heeft behouden. Voor de verwijzende rechter rijst de vraag of het Hof tegen de achtergrond van nieuwe en gewijzigde omstandigheden vasthoudt aan dit standpunt. De verwijzende rechter acht de prejudiciële vragen relevant voor de beslechting van de onderhavige gedingen en 14 vergelijkbare procedures die aanhangig zijn bij de verwijzende rechter.

Prejudiciële vragen:

1. Is er sprake van een overgang van onderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG wanneer de exploitatie van autobuslijnen van de ene vervoersonderneming op een andere overgaat na een aanbestedingsprocedure overeenkomstig richtlijn 92/50/EEG betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, ook al worden daarbij geen wezenlijke bedrijfsmiddelen, inzonderheid geen bussen, tussen die twee ondernemingen overgedragen?
2. Is op grond van de aanname dat de bussen bij de gunning van een tijdelijk dienstencontract in het kader van een redelijke bedrijfseconomische beoordeling vanwege hun ouderdom en de strengere technische vereisten (emissiewaarden, lage instap) geacht moeten worden niet meer van wezenlijk belang te zijn voor de waarde van de onderneming, een afwijking van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 januari 2001 (zaak C-172/99) gerechtvaardigd, zodat richtlijn 77/187/EEG onder dergelijke omstandigheden ook van toepassing kan zijn in het geval van de overname van een wezenlijk deel van het personeel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-172/99

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK; SZW