C-299/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 augustus 2018

Trefwoorden: vervoer; luchtvaart; compensatie

Onderwerp:

- Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening).

Feiten:

Verzoeker boekte bij de verwerende luchtvaartmaatschappij voor 29 mei 2016 een vlucht van Palma de Mallorca naar Düsseldorf die om 19.20 uur zou vertrekken en om 21.40 uur zou aankomen. Wegens een vertraging bij vertrek vervoerde de verwerende luchtvaartmaatschappij de passagiers als gevolg van het verbod op nachtvluchten op de luchthaven van Düsseldorf naar de luchthaven van Keulen/Bonn, waar verzoeker op 30 mei 2016 om 2.45 uur landde. De verwerende luchtvaartmaatschappij bood een bustransfer aan van de luchthaven van Keulen/Bonn naar de luchthaven van Düsseldorf. Verzoeker weigerde dit aanbod en nam in plaats daarvan een taxi naar zijn thuisadres in Solingen. Hiervoor betaalde hij 95 euro. Verzoeker vordert van de verwerende luchtvaartmaatschappij zowel terugbetaling van de 95 euro voor de taxirit als betaling van compensatie ter hoogte van 250 euro volgens artikelen 7(1)a en 5(1)c van de verordening. De verwerende luchtvaartmaatschappij heeft de 250 euro aan verzoeker betaald. Verweerster heeft artikel 12 van de passagiersrechtenverordening ingeroepen om verdere betaling te weigeren. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen. Verzoeker heeft vervolgens hoger beroep ingesteld om zijn vordering tot betaling van 95 euro geldend te maken.

Overweging:

Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat het recht op vergoeding van kosten wegens de niet-nakoming van de verplichtingen van de artikelen 8 en 9 van de verordening niet in mindering kan worden gebracht op een door het nationale recht toegekend recht op schadevergoeding overeenkomstig artikel 12(1)  tweede volzin van die verordening. Alleen zo wordt verzekerd dat luchtvaartmaatschappijen niet straffeloos haar verplichtingen tot het aanbieden van verzorging en bijstand kunnen schenden. Het is echter nog niet duidelijk of ook is uitgesloten dat de kosten van wijziging van het reisschema in mindering worden gebracht wanneer de luchtvaarmaatschappij de verplichtingen onder de artikelen 8 en 9 niet heeft geschonden. De beantwoording van deze vraag is noodzakelijk om te kunnen beslissen in het hoger beroep. Mocht op basis van artikel 12(1) tweede volzin van de verordening het recht op compensatie volgens artikel 7 in mindering kunnen worden gebracht op de vergoeding krachtens nationaal recht, dan is voor de beslissing in hoger beroep bepalend of de luchtvaartmaatschappij de aftrek zonder meer kan toepassen, of dat dit van andere voorwaarden afhankelijk is. In dat geval speelt met name de vraag of, en zo ja, in hoeverre het nationale recht dit toelaat.

Prejudiciële vragen:

1. Kan het recht op compensatie van artikel 7 van [verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91] in mindering worden gebracht op een door het nationale recht toegekend recht op schadevergoeding dat strekt tot vergoeding van extra reiskosten die wegens annulering van een geboekte vlucht zijn ontstaan, wanneer de luchtvaartmaatschappij aan haar verplichtingen volgens artikel 8, lid 1, van de verordening heeft voldaan?

2. Indien aftrek mogelijk is, geldt dit dan tevens voor de kosten van vervangend vervoer naar een andere plaats dan de eindbestemming van de vliegreis wanneer de passagier het door de luchtvaartmaatschappij aangeboden vervangend vervoer naar de eindbestemming van de vliegreis weigert?

3. Kan de luchtvaartmaatschappij, voor zover aftrek mogelijk is, deze altijd toepassen, of is dit afhankelijk van de mate waarin het nationale recht haar dit toestaat of dit naar het oordeel van de rechter passend is?

4. Voor zover het nationale recht relevant is dan wel de rechter discretionair moet beslissen: strekt de compensatie van artikel 7 van [verordening nr. 261/2004] enkel tot vergoeding van het ongemak en het door de passagiers wegens de annulering geleden tijdverlies, of ook tot vergoeding van materiële schade?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-83/10, C-12/11, C-344/04.

Specifiek beleidsterrein: IenW