C-31/18 Elektrorazpredelenie Yug

C-31/18 Elektrorazpredelenie Yug

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    20 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    6 mei 2018

Trefwoorden: elektriciteit

Onderwerp:
-           Richtlijn 2009/72/ЕG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG;

Feiten:

Tussen verzoekster en interveniënte is een overeenkomst gesloten inzake de toegang tot en de transmissie van elektriciteit langs het elektriciteitsdistributiesysteem. Verzoekster is houdster van een door KEVR (regulerende instantie voor energie en water) verleende vergunning, op grond waarvan zij de distributie van elektriciteit langs de distributiesystemen exploiteert. Het geschil tussen verzoekster en interveniënte is gerezen in verband met een kabellijn die op middenspanningsniveau op een gesloten distributievoorziening is aangesloten. Het onderstation waar de aansluiting plaatsvindt, is eigendom van ESO. De hiervoor genoemde kabellijn is staatseigendom; beheer en administratie zijn in handen van het staatsbedrijf Pristanischtna infrastruktura. De belangrijkste grief van verzoekster komt er inhoudelijk op neer, dat bij een aansluiting van het onroerend goed van interveniënte op het elektriciteitsnet op middenspanningsniveau de afnemer moet worden geacht te zijn aangesloten op het distributiesysteem van verzoekster, zulks los van de zakenrechtelijke status van de voorzieningen waarop de elektrische installaties van de afnemer zijn aangesloten. Derhalve dient interveniënte de vergoedingen te betalen die door KEVR zijn vastgesteld voor het gebruik van de systeemdiensten van verzoekster als distributiesysteembeheerder van het betrokken vergunningsgebied (toegang tot het transmissiesysteem, toegang tot en transmissie langs het distributiesysteem). Dit betekent – aldus verzoekster – dat zolang interveniënte gebruik maakt van de systeemdiensten op middenspanningsniveau, de overeenkomst met verzoekster niet op rechtsgeldige wijze eenzijdig door de afnemer kan worden opgezegd wanneer deze gebruik blijft maken van de diensten ten aanzien waarvan verzoekster de enige mogelijke aanbieder (met vergunning) is in het gebied waar het onroerend goed van interveniënte is gesitueerd. Interveniënte stelt dat haar onroerende goederen rechtstreeks zijn aangesloten op het transmissiesysteem van het aan ESO toebehorende onderstation. Het litigieuze onroerend goed is aangesloten door middel van een 20 kV-kabellijn die staatseigendom is en waarvoor aan interveniënte een concessie is verleend. Aangezien het onderstation en de aansluitfaciliteiten geen eigendom van verzoekster zijn, vormen zij geen componenten van het distributiesysteem. Gelet daarop staat vast, dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de vergunning van verzoekster voor het aanbieden van de diensten van toegang tot en transmissie langs het elektriciteitsdistributiesysteem, respectievelijk voor het in rekening brengen van vergoedingen voor deze diensten. De verwerende partij KEVR betoogt van haar kant dat het onroerend goed van interveniënte is aangesloten op de elektriciteitsvoorzieningen die eigendom zijn van transmissiesysteembeheerder ESO. Derhalve moet het onroerend goed worden geacht te zijn aangesloten op het elektriciteitstransmissiesysteem van ESO. Op grond van deze argumenten en los van het feit dat in de administratieve procedure ten overstaan van KEVR niet is bestreden dat het onroerend goed van interveniënte nog steeds wordt beleverd met middenspanningselektriciteit, heeft de overheidsinstantie beslist dat verzoekster niet gerechtigd was aan interveniënte vergoedingen voor systeemdiensten in rekening te brengen. Op grond daarvan heeft KEVR aan verzoekster de litigieuze bindende aanwijzing gegeven.

Overweging:

Om de materiële rechtmatigheid van de bestreden bestuurshandeling te kunnen beoordelen, is het van beslissend belang om te bepalen op welk systeem het onroerend goed van de betrokken derde is aangesloten: het distributiesysteem of het transmissiesysteem. Derhalve is het noodzakelijk om de vergunningsplichtige activiteiten van transmissie en distributie van elektriciteit, resp. de begrippen elektriciteitstransmissiesysteem en elektriciteitsdistributiesysteem onderling af te bakenen. De begrippen ‘transmissie’ en ‘distributie’ van elektriciteit worden in artikel 2 punten 3 en 5 van richtlijn 2009/72 gedefinieerd. Om voornoemde vraag te kunnen beantwoorden, is een uitlegging van het Unierecht noodzakelijk, zodat de nationale rechter een uitspraak kan doen die hiermee strookt.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de bepalingen van artikel 2, punten 3 en 5, van richtlijn 2009/72/ЕG aldus worden uitgelegd dat voor het onderscheid tussen het distributiesysteem en het transmissiesysteem, en daarmee ook tussen de activiteiten van „distributie” en „transmissie” van elektriciteit, als enige criterium het spanningsniveau geldt en dat het de lidstaten ondanks hun vrijheid om systeemgebruikers bij het ene dan wel het andere type systeem (transmissiesysteem of distributiesysteem) onder te brengen, niet is toegestaan om een aanvullend criterium ter onderscheiding van de activiteiten van transmissie enerzijds en distributie anderzijds in te voeren, namelijk de eigendom van de vermogensbestanddelen die ter uitoefening van deze activiteiten worden gebruikt?

2) Zo ja, moeten dan de afnemers van elektriciteit die zijn aangesloten op het middenspanningsnet, altijd worden behandeld als afnemers van de distributiesysteembeheerder die een vergunning voor het betrokken gebied heeft, zulks ongeacht de eigendomsverhoudingen ten aanzien van de voorzieningen waarop de elektrische installaties van deze afnemers rechtstreeks zijn aangesloten, en ongeacht de overeenkomsten die de afnemers rechtstreeks met de transmissiesysteembeheerder hebben gesloten?

3) Zo nee, zijn dan, gelet op de strekking en het doel van richtlijn 2009/72/ЕG, nationale regelingen als die van § 1, punt 44, juncto punt 20, van de aanvullende voorschriften bij de Energiewet toelaatbaar, die „transmissie van elektriciteit” omschrijven als het transport van elektriciteit langs het transmissiesysteem en „elektriciteitstransmissiesysteem” als het geheel van elektrische leidingen en installaties ten behoeve van de transmissie, de transformatie van stroom van hoogspanning naar middenspanning en de herverdeling van energiestromen? Zijn onder dezelfde voorwaarden nationale regelingen toelaatbaar als die van artikel 88, lid 1, van de Energiewet, die bepalen dat „[d]e distributie van elektriciteit en het beheer van elektriciteitsdistributiesystemen in handen zijn van distributiesysteembeheerders die eigenaar van dergelijke systemen in een afgebakend gebied zijn en een vergunning hebben voor de distributie van elektriciteit in datzelfde gebied”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-439/06; C-239/07;

Specifiek beleidsterrein: EZK