C-316/18 The Chancellor, Masters and Scholars of the University of Cambridge

C-316/18 The Chancellor, Masters and Scholars of the University of Cambridge

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    5 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    21 augustus 2018

Trefwoorden: btw; beleggingen

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van btw;
-           Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;

Feiten:

De nationale autoriteit voor de btw (hierna: Commissioners) is de appellant. Verweerder is de University of Cambridge (hierna: Universiteit). De Universiteit is een liefdadigheidsinstelling die vrijgestelde onderwijsdiensten verricht. Zij verricht tevens een aantal belastingplichtige diensten. De verschuldigde btw bevat een restbedrag aan btw dat niet uitsluitend is toe te rekenen aan de belastbare diensten van de Universiteit, of haar vrijgestelde diensten. De bepaling van het restbedrag aan btw is tot stand gekomen in overeenstemming met de speciale methode voor gedeeltelijke vrijstelling (hierna: PESM) die naar nationaal recht door de Commissioners is goedgekeurd. De Universiteit heeft btw betaald over de vergoedingen voor het professionele beheer van het donatiefonds (hierna: Fonds). De verrichte beleggingsactiviteiten zijn op zichzelf geen economische activiteiten, zodat de door het Fonds verrichte handelingen buiten de werkingssfeer van de btw vallen. Voorbelasting verschuldigd over de beheersvergoeding zou daarom niet aftrekbaar zijn indien de vergoeding voor btw-doeleinden moet worden behandeld als een vergoeding die rechtstreeks en uitsluitend aan de beleggingsactiviteiten zelf moet worden toegerekend (voorbelasting =  de over een economische activiteit verschuldigde btw). In gevallen van gemengde toerekening aan economisch en niet-economisch gebruik, schrijft section 24(5) van de VAT Act 1994 een zodanige verdeling voor dat alleen het bedrag aan btw dat kan worden toegerekend aan de onderneming van de belastingplichtige, als voorbelasting wordt beschouwd. De Commissioners stellen dat de verwijzende rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat de verrichte beleggingsactiviteiten (waarvoor de in het geding zijnde beheersvergoedingen verschuldigd zijn) bestonden uit “niet-zakelijke activiteiten” en daarom geen “economische activiteit” zijn. De beleggingen vallen buiten de werkingssfeer van het btw-stelsel. Volgens de Commissioners zouden de beleggingsactiviteiten van de Universiteit op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de activiteiten van een willekeurige particuliere belegger; het toestaan van een recht op aftrek zou anders zakelijke beleggers een oneerlijk voordeel geven ten opzichte van particuliere beleggers.

Overweging:

De centrale vraag is of voor btw-doeleinden de btw over de beheersvergoedingen van een fondsbeheerder rechtstreeks en onmiddellijk kan worden toegerekend aan de beleggingsactiviteiten van een universiteit, in welk geval deze btw niet kan worden teruggevorderd. Of moet die btw eigenlijk moet worden aangemerkt als overheadkosten van de algemene activiteiten van de universiteit, zodat een passend gedeelte ervan mag worden afgetrokken? Wat zijn de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of de btw over de betrokken uitgaven aftrekbaar is voor een belastingplichtige wiens handelingen gedeeltelijk, maar niet uitsluitend, bestaan uit belastbare handelingen? Het Hof heeft zich reeds uitgesproken in vergelijkbare zaken. De omstandigheden in casu verschillen echter zodanig dat die arresten geen uitkomst bieden.

Prejudiciële vragen:

1. Dient onderscheid te worden gemaakt tussen vrijgestelde en niet-belastbare handelingen om uit te maken of ten behoeve van dergelijke handelingen betaalde btw aftrekbaar is?

2. Indien beheersvergoedingen alleen met betrekking tot een niet-belastbare beleggingsactiviteit verschuldigd zijn, is het dan niettemin mogelijk het noodzakelijke verband te leggen tussen die kosten en de economische activiteiten die worden gesubsidieerd met de uit die beleggingen verkregen beleggingsinkomsten, zodat btw-aftrek kan worden toegestaan naargelang van de aard en omvang van de downstream economische activiteiten die recht geven op btw-aftrek? In hoeverre mag daarbij rekening worden houden met de bestemming waarvoor de inkomsten worden gebruikt?

3. Dient onderscheid te worden gemaakt tussen btw betaald ten behoeve van het verstrekken van kapitaal aan een onderneming en btw die een eigen inkomstenstroom genereert los van eventuele inkomstenstromen uit downstream economische activiteiten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Skatteverket/AB SKF C-29/08; Securenta/Finanzamt Göttingen C-437/06; Cibo Participations C-16/00; Wellcome Trust/HMRC C-155/94; Midland Bank plc / Customs Excise Commissioners C-98/98; Sveda C-126/14; BLP Group plc/Commissioners of Customs & Excise C-4/94; Abbey National/Commissioners of Customs & Excise C-408/98; Kretztechnik AG/Finanzamt Linz C-465/03; Investrand C-435/05; VNLTO C-515/07; Odvolaci finančniředitelství/Pavlína Baštová C-432/15; Sofia/‘Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments’ EOOD C-132/16.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal