C-321/18 Terre wallonne

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 augustus 2018

Trefwoorden: milieu; natura 2000; habitatrichtlijn

Onderwerp:

-           Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn);
-           Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s;

Feiten:

Op 08.11.2012 diende de minister voor de Natuur bij de Waalse regering een nota in met als doel een voorontwerp van besluit tot vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-netwerk in eerste lezing te laten goedkeuren. Van 10.12.2012–08.02.2013 liep er een openbaar onderzoek in de 218 bij het Natura 2000-netwerk betrokken gemeenten. Uiteindelijk keurde de Waalse regering een besluit tot vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-netwerk goed. Dit besluit vormt de bestreden handeling. Verzoekster betoogt dat richtlijn 2001/42 niet alleen van toepassing is op plannen en programma’s die het milieu kunnen schaden, maar ook op milieuvriendelijke plannen en programma’s. Verzoekster betreurt dat het openbaar onderzoek niet overal in het Waalse gewest werd gehouden, maar alleen in de gemeenten bij het Natura 2000-gebied. Verweerster stelt dat de bestreden handeling geen plan of programma in de zin van richtlijn 2001/42 is en in elk geval volgens artikel 3 van die richtlijn buiten de werkingssfeer valt. Ten slotte ziet zij niet in welk opzicht de verzoekende vereniging niet de gelegenheid zou hebben gekregen, haar opmerkingen in de loop van het openbaar onderzoek doeltreffend geldend te maken.

Overweging:

Handelingen waarvoor de habitatrichtlijn geen milieueffectbeoordeling oplegt, kunnen niettemin plannen of programma’s in de zin van artikel 3(2)a of artikel 3(4) van richtlijn 2001/42 vormen. Voor zover artikel 3(2)b slechts betrekking heeft op plannen of programma’s waarvoor een beoordeling is vereist uit hoofde van de artikelen 6 en 7 van de habitatrichtlijn, en bijgevolg de plannen of programma’s waarin de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-netwerk worden vastgelegd uitsluit, rijst de vraag of die uitsluiting tot gevolg heeft dat dit besluit buiten de werkingssfeer van artikel 3(2)a valt, zoals verweerster betoogt. De centrale vraag is dus of het bestreden besluit binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/42 valt, en zo ja, of richtlijn 92/43 al dan niet tot gevolg heeft dat de verplichte voorafgaande milieueffectbeoordeling vervalt. Deze vragen worden voorgelegd aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

1. Vormt het besluit waarmee een orgaan van een lidstaat, overeenkomstig richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-netwerk vaststelt, een plan of programma in de zin van richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, en inzonderheid in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), of in de zin van artikel 3, lid 4, van die richtlijn?

2. Dient, ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, een dergelijk besluit overeenkomstig richtlijn 2001/42/EG aan een milieueffectbeoordeling te worden onderworpen, ofschoon volgens richtlijn 92/43/EEG, op grond waarvan het besluit is genomen, geen dergelijke beoordeling is vereist?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a. C-43/10; D’Oultremont e.a. C-290/15; Syllogos Ellinon Poleodomon kai chorotakton C-177/11;

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW

Gerelateerde documenten