C-323/18 Tesco-Global Áruházak

C-323/18 Tesco-Global Áruházak

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 augustus 2018

Trefwoorden: btw; fiscaal; staatssteun; vrij verkeer

Onderwerp:
-           VWEU;
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Feiten:

Verzoekster is een vennootschap die zowel detailhandelsactiviteiten als groothandelsactiviteiten verricht en die een fiscale boete opgelegd heeft gekregen naar aanleiding van een controle over deze activiteiten in de periode 01.03.2010 – 28.02.2013. Verzoekster komt op tegen de besluiten van de DG (Directoraat-Generaal belastingen van grote belastingplichtigen) en is van mening dat de sterk progressieve hoogste belastingschijf (waarin verzoekster is ingedeeld) indirect discriminerend is en als zodanig in strijd is met het Unierecht. Verzoekster verwijst naar C-112/84 en betoogt dat het heffen van bijzondere belasting door de lidstaten onrechtmatig is wanneer de effectieve belastingdruk hoofdzakelijk komt te rusten op belastingplichtigen die een buitenlandse eigenaar hebben. Aangezien in dit geval alle belastingplichtigen die in de hoogste schijf vallen dochterondernemingen zijn van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen, hadden zij een onevenredig groot aandeel in de verplichting om bijzondere belasting te betalen. De wet inzake de bijzondere belasting zou volgens verzoekster bovendien verboden staatssteun opleveren in de zin van artikel 107(1) VWEU. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wet geen marktverstorend effect heeft en ook niet kan worden aangemerkt als indirecte staatssteun, aangezien de wetgever geen onderscheid heeft gemaakt op grond van het land van vestiging of de organisatiestructuur van dienstverrichters. Verweerder wijst er op dat de wet inzake de bijzondere belasting voor alle belastingplichtigen die in dezelfde positie verkeren dezelfde verplichtingen oplegt, ongeacht hun land van vestiging en hun organisatiestructuur. Er wordt uitsluitend onderscheid gemaakt op basis van hun omzet uit detailhandel in vestigingen. De progressiviteit van de belastingtarieven is volgens verweerder gerechtvaardigd, aangezien een hogere omzet een aanzienlijkere marktmacht, een lagere kostprijs en een hogere winstgevendheid, en derhalve een aanzienlijk hogere fiscale draagkracht veronderstelt.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft het Hof al in een voor hem aanhangige zaak om uitlegging van dit artikel van de btw-richtlijn in relatie tot de wet inzake bijzondere belasting gevraagd. Aangezien dat verzoek momenteel onder nummer C-75/18 bij het Hof aanhangig is, verzoekt de verwijzende rechter het Hof om te onderzoeken of de twee zaken gevoegd kunnen worden. Het standpunt van de verwijzende rechter is dat de in zaak C-75/18 gestelde vragen weliswaar op dezelfde nationale regeling betrekking hebben, maar dat de betreffende nationale regeling twee verschillende bedrijfstakken, sectoren bestrijkt, en dat de vragen die de verwijzende rechter in de onderhavige zaak stelt op de andere sector (detailhandel in vestigingen) betrekking hebben.

Prejudiciële vragen:

1. Is het verenigbaar met de bepalingen van het VWEU inzake het nondiscriminatiebeginsel (artikelen 18 en 26 VWEU), het beginsel van vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU), het beginsel van gelijke behandeling (artikel 54 VWEU), het beginsel van gelijkheid van de financiële deelnemingen in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel 54 VWEU (artikel 55 VWEU), het beginsel van het vrij verrichten van diensten (artikel 56 VWEU), het beginsel van het vrije kapitaalverkeer (artikelen 63 en 65 VWEU) en het beginsel van gelijkheid inzake heffing van belastingen op ondernemingen (artikel 110 VWEU) dat belastingplichtigen met een buitenlandse eigenaar die hun detailhandelsactiviteiten in vestigingen uitoefenen en binnen één vennootschap meerdere vestigingen exploiteren, feitelijk in de hoogste schijf van een sterk progressieve tariefstructuur bijzondere belasting moeten betalen, terwijl belastingplichtigen met binnenlandse eigenaren die hun activiteiten onder een uniform bedrijfsembleem volgens het franchisesysteem, maar per vestiging doorgaans als afzonderlijke ondernemingen uitoefenen, feitelijk in de belastingvrije schijf zijn ingedeeld of onder een van de daaropvolgende lage belastingtarieven vallen, met als gevolg dat het aandeel in de totale belastingopbrengst van de vennootschappen met buitenlandse eigenaren aanzienlijk hoger is dan het aandeel van de vennootschapen die in handen zijn van binnenlandse eigenaren?

2. Is het verenigbaar met de bepalingen van het VWEU betreffende onrechtmatig verleende staatssteun (artikel 107, lid 1, VWEU) dat belastingplichtigen die hun detailhandelsactiviteiten in vestigingen uitoefenen en binnen één vennootschap meerdere vestigingen exploiteren, feitelijk in de hoogste schijf van een sterk progressieve tariefstructuur bijzondere belasting moeten betalen, terwijl hun directe concurrenten met binnenlandse eigenaren die hun activiteiten onder een uniform bedrijfsembleem volgens het franchisesysteem, maar per vestiging doorgaans als afzonderlijke ondernemingen uitoefenen, feitelijk in de belastingvrije schijf zijn ingedeeld of onder een van de daaropvolgende lage belastingtarieven vallen, met als gevolg dat het aandeel in de totale belastingopbrengst van de vennootschappen met buitenlandse eigenaren aanzienlijk hoger is dan het aandeel van de vennootschapen die in handen zijn van binnenlandse eigenaren?

3. Dienen artikel 107 en artikel 108, lid 3, VWEU aldus te worden uitgelegd dat ze betrekking hebben op een belastingmaatregel die in nauw verband staat met de, uit de opbrengst van dezelfde belastingmaatregel gefinancierde – als staatssteun aan te merken – belastingvrijstelling, doordat de wetgever vóór de invoering van de bijzondere belasting voor de detailhandel (op basis van de omzet van de marktdeelnemers) het bedrag aan verwachte begrotingsontvangsten heeft vastgesteld, niet door invoering van een algemeen belastingtarief, maar door toepassing van belastingtarieven die progressief zijn naargelang van de omzet, zulks met de vooropgezette doelstelling om een deel van die marktdeelnemers belastingvrijstelling te verlenen?

4. Is de rechtshandhavingspraktijk van een lidstaat waarbij het gedurende de ambtshalve verrichte belastingcontrole of gedurende de daaropvolgende gerechtelijke procedure – in weerwil van het doeltreffendheidsbeginsel en de verplichting om onverenigbare nationaalrechtelijke bepalingen buiten toepassing te laten – niet mogelijk is om een verzoek in te dienen tot teruggaaf van belasting betaald op grond van een regel van nationaal fiscaal recht die in strijd is met het Unierecht, omdat de belastingdienst of de rechter de strijdigheid met het Unierecht uitsluitend onderzoekt in een bijzondere procedure die wordt ingeleid op verzoek en enkel vóór de aanvang van de ambtshalve procedure, terwijl met betrekking tot belasting die in strijd met het nationale recht is betaald, niets zich verzet tegen indiening van een verzoek tot teruggaaf in het kader van een administratieve of een gerechtelijke procedure, verenigbaar met het beginsel van gelijkwaardigheid van procedures en met de beginselen van doeltreffendheid en voorrang van het Unierecht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Hervis C-385/12; C-112/84;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZK