C-341/18 J. e.a.

C-341/18 J. e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    26 augustus 2018

Trefwoorden: Schengen; uitreis; zeeschip; offshore-industrie

Onderwerp:

-           Verordening 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: Schengengrenscode);
-           Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode);

Feiten:

Artikel 11(1) van de Schengengrenscode vereist dat de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij inreis en bij uitreis systematisch worden afgestempeld. Zeelieden zijn uit derde landen Nederland ingereisd via Schiphol, over land naar de zeehaven van Rotterdam (een buitengrens) gereisd en aangemonsterd op een daar afgemeerd zeeschip. Met aanmonsteren wordt bedoeld: het als zeevarende in dienst treden op een zeeschip. De Zeehavenpolitie (ZHP) heeft geweigerd om uitreisstempels aan te brengen in de paspoorten van de vreemdelingen, omdat niet duidelijk was wanneer het betrokken zeeschip de haven van Rotterdam zou verlaten. De vreemdelingen hebben er op gewezen dat zij tot begin 2016 altijd bij aanmonstering op een zeeschip een uitreisstempel in hun paspoort ontvingen ongeacht of zij al dan niet op korte termijn met het schip vertrokken. De staatssecretaris heeft toegelicht dat deze uitreisstempels werden aangebracht in het vertrouwen dat de uitreis van het schip met de vreemdelingen aanstaande was. De vreemdelingen zijn afkomstig uit derde landen en mogen ingevolge de Visumcode in beginsel maximaal 90 dagen in een periode van 180 dagen op het Schengengrondqebied verblijven (45 als zij een visum nodig hebben). De vreemdelingen stellen dat zij het toegestane verblijf nu sneller vol zullen maken dan voorheen, en eerder het Schengengrondgebied moeten verlaten. Omdat zij vervolgens ook moeten wachten tot de termijn van 180 dagen is verstreken, zullen zij minder inkomsten kunnen verwerven dan nu het geval is. De vreemdelingen, de bedrijven, de KVNR (Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders) en het Havenbedrijf Rotterdam wijzen erop dat in andere Europese zeehavens wordt uitgestempeld bij aanmonstering ongeacht de vraag of het zeeschip op korte termijn afvaart. Als in de Europese zeehavens verschillend wordt omgegaan met het moment van uitreis in de zin van de Schengengrenscode, kan dit concurrentieverstorende gevolgen hebben voor de Europese offshore-industrie.

Overweging:

In deze context van mogelijke verblijfsrechtelijke en daarmee samenhangende financiële gevolgen voor de betrokken vreemdelingen en mogelijke concurrentieverstorende gevolgen rijst de vraag of de vreemdelingen al bij hun aanmonstering op een zeeschip uitreizen als bedoeld in de Schengengrenscode en of daarom een uitreisstempel in hun reisdocument moet worden geplaatst onafhankelijk van de vraag of, en zo ja wanneer zij met dit schip de Rotterdamse haven verlaten. Uit de Schengengrenscode volgt niet eenduidig wanneer een zeevarende die het Schengengebied via een luchthaven is ingereisd en over land doorreist naar een in een zeehaven gelegen zeeschip om daarop aan te monsteren, uitreist in de zin van de Schengengrenscode. Rechtspraak van het Hof hierover is niet voorhanden. Daarom legt de verwijzende rechter de volgende prejudiciële vraag voor aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 11, eerste lid, van Verordening 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) zo worden uitgelegd dat een onderdaan van een derde land die het Schengengebied eerder is ingereisd, bijvoorbeeld via een internationale luchthaven, uitreist in de zin van de Schengengrenscode zodra hij als zeevarende aanmonstert op een zeeschip dat al is gelegen in een zeehaven zijnde een buitengrens, ongeacht of, en zo ja wanneer hij met dit schip die zeehaven zal verlaten? Of moet, om te kunnen spreken van een uitreis, eerst vaststaan dat de zeevarende de zeehaven met het desbetreffende zeeschip zal verlaten, en zo ja, geldt er dan een uiterste termijn waarbinnen de afvaart moet plaatsvinden en op welk moment moet de uitreisstempel dan worden aangebracht? Of heeft een ander moment, al dan niet onder andere voorwaarden, als 'uitreis' te gelden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Cilfit 283/81; Kraaijeveld C-72/95; H.T. C-373/13; Z. Zh. en I.O. C-554/13.

Specifiek beleidsterrein: IenW; JenV; EZK