C-347/18

C-347/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     02 september 2018        

Trefwoorden: Brussel I bis-verordening; ambtshalve toetsing; tenuitvoerlegging; consumentenbescherming; handvest

Onderwerp:
-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-verordening);
-           Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: handvest).

Feiten:

Verzoeker, Alessandro Salvoni (‘ Salvoni’ ) heeft de Italiaanse rechter verzocht om afgifte van een betalingsbevel tegen Anna Maria Fiermonte (wonende te Hamburg) wegens door Salvoni verrichte diensten. Het betalingsbevel is door de Italiaanse rechter verstrekt. Salvoni heeft de verwijzende rechter vervolgens verzocht om afgifte van het certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Brussel I bis-verordening ter tenuitvoerlegging van het betalingsbevel in Duitsland. De verwijzende rechter is van mening dat de relatie tussen Salvoni en Fiermonte als een consumentenrelatie moet worden aangemerkt. Uit een door de verwijzende rechter ambtshalve verrichte kijk op internet is gebleken dat Salvoni zijn activiteiten onder meer richt op de lidstaat van de consument (Duitsland). Hierdoor was volgens de verwijzende rechter niet de Italiaanse rechter maar de Duitse rechter op grond van artikel 17 van de Brussel I bis-verordening bevoegd het betalingsbevel te verstrekken, waardoor het betalingsbevel in strijd met de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk II van de verordening is gegeven. Daarom twijfelt de verwijzende rechter of hij het door Salvoni gevraagde certificaat af kan geven.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de bevoegdheden van de aangezochte rechter om het in artikel 53 van de Brussel I bis-verordening bedoelde certificaat af te geven in het geval dat een beslissing in strijd met de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk II van deze verordening is gegeven. Met name rijst de vraag of artikel 53 verlangt dat de rechter de in de staat van herkomst gegeven beslissing overneemt in het certificaat (binnen de in bijlage I bepaalde inhoudelijke grenzen), of dat artikel 53 de mogelijkheid biedt voor de rechter om ambtshalve bevoegdheden uit te oefenen die tot doel hebben de consument ervan in kennis te stellen dat de in artikel 17 vervatte regeling is geschonden, als gevolg waarvan de erkenning uit hoofde van artikel 45, lid 1, onder e), van de Brussel I bis-verordening aangevochten kan worden. Bij deze vraag moet de bescherming die de consument aan artikel 47 van het Handvest ontleent in acht worden genomen. De verwijzende rechter gaat daarom over tot het stellen van de volgende prejudiciële vraag.

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 53 van verordening (EU) nr. 1215/2012 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat het gerecht van oorsprong dat is aangezocht om het in artikel 53 van verordening (EU) nr. 1215/2012 bedoelde certificaat betreffende een definitief geworden beslissing af te geven, ambtshalve bevoegdheden kan uitoefenen die beogen na te gaan of sprake is van schending van de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk II van de Brussel I bis-verordening, teneinde de consument te informeren over een eventueel vastgestelde schending en hem in staat te stellen met kennis van zaken de mogelijkheid te overwegen om gebruik te maken van het rechtsmiddel waarin artikel 45 van deze verordening voorziet?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Trade Agency Ltd, C-619/10; Alassini, C-317/08.

Specifiek beleidsterrein: JenV