C-349/18, C-350/18 en C-351/18

C-349/18, C-350/18 en C-351/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    31 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    17 september 2018

Trefwoorden: oneerlijke bedingen; consumenten; openbaar vervoer

Onderwerp:
-           Richtlijn 1371/2001 van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer;
-           Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Feiten:

De drie gevoegde zaken hebben vergelijkbare omstandigheden en identieke prejudiciële vragen. De eisende partij in deze zaken is telkens het NMBS (Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen). De verwerende partijen zijn natuurlijke personen (hierna: verweerders). Verweerders zijn meerdere keren betrapt op het zwartrijden met het openbaar vervoer, waarna het NMBS ze drie verschillende mogelijkheden heeft gegeven om de toestand te regulariseren: 1) onmiddellijk betalen van de ritprijs vermeerderd met €7,50, 2) betalen van €75,- binnen veertien dagen, of 3) betalen van €225,- na veertien dagen. Verweerders zijn hier niet op ingegaan. Het NMBS vordert €880,20 in C-349/18, €1.103,90 in C-350/18 en €2.394,- in C-351/18 van de verweerders. Het NMBS maakt gebruik van algemene vervoersvoorwaarden en stelt dat de rechtsverhouding tussen haar en verweerders niet contractueel, maar reglementair van aard is voor zover de reiziger geen vervoerbewijs heeft aangekocht vanwege de algemene voorwaarden.

Overweging:

Verweerders zijn consumenten, en het NMBS is een onderneming in de zin van de leer van de onrechtmatige bedingen. De verwijzende rechter moet aldus ten eerste onderzoeken of de leer van de onrechtmatige bedingen van toepassing is. De volgende vraag die hierbij rijst, betreft de rechtsverhouding tussen het NMBS en verweerders en naar het al dan niet tot stand komen van een vervoerovereenkomst. In het Belgisch recht bestaat er verdeeldheid over de aard van de rechtsverhouding tussen de vervoerder en de reiziger. Indien de algemene vervoersvoorwaarden te toetsen zijn aan de leer van de onrechtmatige bedingen, leidt dat tot de volgende vraag. Namelijk de vraag of de sanctie op het onrechtmatige beding steeds moet zijn dat het beding de consument niet bindt en dat het gemene recht niet in de plaats kan worden gesteld van het als onrechtmatig beoordeelde beding.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel artikel 9, onder 4 van de richtlijn 1371/2001 van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer jo artikel 2, onder a en artikel 3 van de Richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat er steeds een contractuele rechtsverhouding tot stand komt tussen de vervoersmaatschappij en de reiziger, zelfs wanneer deze zich zonder een vervoersbewijs aan te schaffen,  zich bedient van de dienstverlening van de vervoerder?

2. Indien voorgaande vraag ontkennend moet worden beantwoord, strekt de bescherming van de leer van de oneerlijke bedingen zich dan ook uit tot de reiziger die zich van het openbaar vervoer bedient zonder zich een vervoerbewijs te hebben verschaft en door die handelswijze krachtens de algemene voorwaarden van de vervoerder die algemeen verbindend worden geacht op grond van hun reglementaire aard dan wel door de bekendmaking ervan in een officiële publicatie van de staat, wordt gehouden tot het betalen van een toeslag boven op de vervoerprijs?

3. Verzet artikel 6 van de Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten dat bepaalt dat 'de Lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan', er zich in alle gevallen tegen dat de rechter het als oneerlijk beoordeelde beding zou matigen, dan wel in de plaats daarvan het gemene recht zou toepassen?

4. Indien voorgaande vraag ontkennend moet worden beantwoord, welke zijn dan de omstandigheden waarin de nationale rechter kan overgaan tot matiging van het als oneerlijk bevonden beding, dan wel de vervanging ervan door het gemene recht.

5. Indien bovenstaande vragen niet in abstracto kunnen worden beantwoord, stelt zich de vraag of in het geval de nationale spoorwegmaatschappij een zwartrijder, na betrapping, burgerlijk sanctioneert met een toeslag, al dan niet boven op de ritprijs, en de rechter tot bevinding zou komen dat de ten laste gelegde toeslag oneerlijk is in de zin van artikel 2, onder a jo 3 van de Richtlijn 93/13, artikel 6 van de Richtlijn 93/13 er zich tegen verzet dat de rechter het beding nietig verklaart en toepassing maakt van het gemeen aansprakelijkheidsrecht om de schade die de nationale spoorwegmaatschappij heeft geleden te vergoeden.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: VB Pénzügyi Lizing Zrt. / Ferenc Schneider C-137/08; Banif Plus Bank Zrt./Csaba Csipai en Viktoria Csipai C-472/11; Maria Bucura C-348/14; Froukje Faber / Autobedrijf Hazet Ochten BV C-497/13;

Specifiek beleidsterrein: EZK