C-354/18

C-354/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    13 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    29 augustus

Trefwoorden: verordening 261/2004; luchtvaart; compensatie

Onderwerp:

-           Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening 261/2004).

Feiten:
Radu-Lucian Rusu en Oana-Maria Rusu (eisers) hebben van SC Blue Air – Airline Management Solutions SRL (verweerster) twee vliegtickets gekocht voor de route Bacău-Londen voor 6 september 2016. Bij het instappen kregen eisers te horen dat wegens geringere capaciteit hun de toegang tot de vlucht werd geweigerd. Als gevolg hiervan werden eisers omgeboekt, zodat ze pas op 11 september 2016 in Londen arriveerden, met een vlucht van dezelfde luchtvaartmaatschappij. Eisers hebben niet uitdrukkelijk verzocht met grotere spoed vervoerd te worden, met een andere luchtvaartmaatschappij en via een andere route, maar hebben ermee hebben ingestemd om op 11 september 2016 te vliegen. Eisers vragen om verweerster te veroordelen tot een schadevergoeding wegens gederfde inkomsten (ingehouden loon) en immateriële schade. Verweerster heeft betoogd dat overeenkomstig verordening 261/2004 eisers niet in aanmerking komen voor schadevergoeding boven de 400 EUR als bepaald in artikel 7, lid 1, onder b. In geschil is de hoogte van de door verweerster te betalen schadevergoeding. 

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat eisers hebben gevraagd om toekenning van vergoeding van materiële schade wegens gederfd loon, in aanvulling op het bedrag van 400 EUR dat de luchtvaartmaatschappij op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 261/2004 verschuldigd is, aangezien eisers van mening zijn dat dit bedrag van 400 EUR een vergoeding is voor immateriële schade. Daarom rijst de vraag of artikel 7 op materiële of immateriële schade ziet. Ook is het de vraag hoe het begrip ‘verdere compensatie’ uit artikel 12 van de verordening uitgelegd dient te worden en of bepaalde omstandigheden van belang zijn bij het vaststellen van de schadevergoeding. De verwijzende rechter gaat over tot het stellen van prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

1. Ziet het bedrag van 400 EUR vastgesteld in artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 261/2004 hoofdzakelijk op de vergoeding van de materiële schade, terwijl de immateriële schade moet worden geanalyseerd in het licht van artikel 12, of wordt op grond van artikel 7, lid 1, onder b), hoofdzakelijk de immateriële schade gedekt, terwijl de materiële schade onder artikel 12 valt?

2. Valt het bedrag van het gederfde loon dat het in artikel 7, lid 1, onder b), vastgestelde bedrag van 400 EUR te boven gaat, onder het begrip verdere compensatie in de zin van artikel 12?

3. Volgens artikel 12, [lid 1,] tweede volzin, „[kan] [d]e uit hoofde van deze verordening toegekende compensatie [...] op eventuele verdere compensatie in mindering worden gebracht”. Moet dit artikel van de verordening aldus worden uitgelegd dat het aan de nationale rechter wordt overgelaten of het op grond van artikel 7, lid 1, onder b), toegekende bedrag in mindering wordt gebracht op de  verdere compensatie of is deze aftrek verplicht?

4. Indien de aftrek van het bedrag niet verplicht is, wat zijn dan de elementen op grond waarvan de nationale rechter besluit om het in artikel 7, lid 1, onder b), bedoelde bedrag in mindering te brengen op de verdere compensatie?

5. Moet de schade die het gevolg is van het niet-betalen van het loon doordat de werknemer in de onmogelijkheid verkeerde naar zijn werk te gaan aangezien hij te laat op de plaats van bestemming arriveerde doordat hij een andere vlucht moest nemen, worden geanalyseerd in het licht van het voldoen aan de verplichtingen zoals bepaald in artikel 8 dan wel in artikel 12 juncto artikel 4?

6. Houdt het voldoen aan de verplichting van de luchtvaartmaatschappij om bijstand te verlenen op grond van artikel 4, lid 3, en artikel 8 van verordening nr. 261/2004 in dat de passagier volledig dient te worden geïnformeerd over al zijn omboekmogelijkheden zoals bepaald in artikel 8, lid 1, onder a), b) en c), van de verordening?

7. Bij wie ligt op grond van artikel 8 van verordening nr. 261/2004 de bewijslast om aan te tonen dat het omboeken bij de eerste gelegenheid is gedaan?

8. Brengt de verordening voor de passagiers de verplichting mee om te zoeken naar andere mogelijke vluchten naar hun eindbestemming en aan de luchtvaartmaatschappij te vragen te onderzoeken of er plaats is aan boord van deze vluchten of is de luchtvaartmaatschappij ambtshalve verplicht om te zoeken naar de gunstigste optie voor de passagier om deze naar zijn eindbestemming te vervoeren?

9. Is het van belang voor het vaststellen van de door de passagiers geleden schade dat deze akkoord zijn gegaan met het voorstel van de luchtvaartmaatschappij om hun een vlucht op 11 september 2016 aan te bieden, hoewel zij ervan uit konden gaan dat ze niet betaald zouden krijgen voor de periode dat ze afwezig waren van hun werk?

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW