C-355/18, C-356/18, en C-357/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    20 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    06 september 2018

Trefwoorden: verzekeringen;

Onderwerp:
-           Richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 79/267/EEG (Tweede levensrichtlijn);
-           Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensrichtlijn).

Feiten:

Het feitencomplex bevat een samenvatting van de feiten van de drie gevoegde prejudiciële zaken. Verzoekster heeft bij verweerster een unit-linked levensverzekering afgesloten. Na verloop van tijd koopt zij deze verzekering af en verzoekt verweerster om betaling van het afkoopbedrag. Vervolgens zegt verzoekster de polis op lang nadat de levensverzekering was beëindigd en stelt beroep in bij de rechter waarbij zij een onbindingsbedrag van verweerster eist. Volgens verzoekster was de verstrekte informatie inzake het opzeggingsrecht onjuist voor zover was vermeld dat dit recht schriftelijk moest worden uitgeoefend, omdat volgens nationaal recht een vormvrije opzegging volstaat. Bij vonnis werd het ontbindingsbedrag toegewezen door de rechter. Volgens de rechter verzet onjuiste informatie inzake het opzeggingsrecht zich ertegen dat de opzegtermijn zijn aanvang neemt, met als gevolg dat het opzeggingsrecht een onbeperkt karakter krijgt. De opzegging door verzoekster is daarom rechtsgeldig. De opzegging heeft een verrijkingsrechtelijke ontbinding van de overeenkomst tot gevolg. Verzoekster heeft daarom recht op teruggave van de betaalde premies en kosten met inbegrip van de wettelijke rente, en niet alleen op de afkoopwaarde.

Overweging:

Om te beginnen moet worden onderzocht of het vereiste dat de opzegging schriftelijk geschiedt, meebrengt dat de informatie overeenkomstig artikel 15(1) van richtlijn 90/619/EEG “onjuist” is en dus de weg vrijmaakt voor een onbeperkt opzeggingsrecht. In het licht van het nagestreefde doel van informatieverstrekking, rijst dan met name de vraag welk gevolg het heeft dat de verzekeringsneemster weliswaar juist is ingelicht over het opzeggingsrecht, maar dat in tegenstelling tot de wettelijke bepalingen werd verlangd dat zij dit recht schriftelijk diende uit te oefenen. Met andere woorden, bestaat bij richtlijnconforme uitlegging van de nationale bepaling ook in dat geval een onbeperkt opzeggingsrecht. Voorts rijst de vraag (die in zaak C-209/12 niet aan het Hof is voorgelegd en dus ook niet concreet is beantwoord), of een opzegging van een levensverzekeringpolis wegens onjuiste informatie ook dan nog mogelijk is wanneer die polis reeds is ontbonden ten gevolge van de opzegging en afkoop ervan door de verzekeringnemer.

Prejudiciële vragen:

De eerste vraag wordt in C-355/18, C-356/18, en C-357/18 gesteld.
1. Dient artikel 15, lid 1, van richtlijn 90/619/EEG (Tweede levensrichtlijn) zoals gewijzigd bij richtlijn 92/96/EEG (Derde levensrichtlijn) juncto artikel 31 van richtlijn 92/96/EEG aldus te worden uitgelegd dat in de kennisgeving betreffende de mogelijkheid van opzegging ook moet worden vermeld dat de opzegging niet in een bepaalde vorm behoeft te geschieden?

De tweede vraag wordt alleen in C-355/18, en C-356/18 gesteld.
2. Kan de levensverzekeringspolis ook dan nog wegens onjuiste informatie inzake het opzeggingsrecht worden opgezegd nadat deze door de verzekeringnemer reeds is beëindigd (en afgekocht)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Endress C-209/12.

Specifiek beleidsterrein: JenV;