C-360/18 Cargill Deutschland

C-360/18 Cargill Deutschland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    09 september 2018

Trefwoorden: fiscaal; bevoegdheid; nationaal; unierecht

Onderwerp:
-           Verordening (EU) nr. 1360/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2004/2005 en de bedragen die de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers moeten betalen vanwege het verschil tussen de maximumheffing en de te innen heffing voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2005/2006;
-           Verordening (EU) 2018/264 van de Raad van 19 februari 2018 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000, en tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001;

Feiten:

Verzoekster produceerde isoglucose. Verweerder heeft in de periode 2001-2002 t/m 2004-2005 jaarlijks productieheffingen voor de geproduceerde isoglucose vastgesteld. Op 20.12.2013 is verordening 1360/2013 in werking getreden. Op 01.05.2014 heeft verzoekster verweerder om herziening en terugbetaling van de desbetreffende bedragen in de periode 2001-2002 t/m 2004-2005 verzocht. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 18.04.2016 afgewezen op grond dat de intrekking, wijziging of correctie van onherroepelijk geworden aanslagen alleen mogelijk is binnen de in de Abgabenordnung (Duits belastingwetboek; hierna: AO) bedoelde termijn voor de vaststelling van de belasting. Verzoekster stelde hierop dat haar recht op terugbetaling rechtstreeks voortvloeit uit verordening 1360/2013 en dat hiervoor geen termijn geldt. Ook de onherroepelijkheid van eerdere aanslagen zou niet van belang zijn, aangezien hun rechtsgrondslag met de vaststelling van verordening 1360/2013 is vervallen. Verzoekster verzoekt verweerders besluit van 18.04.2016 nietig te verklaren en verweerder te gelasten om haar de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 2001-2002 t/m 2004-2005 terug te betalen, vermeerderd met een rente. Verweerder verzoekt het beroep te verwerpen op grond dat de verjaringsregels van de algemene belastingwetgeving ook van toepassing zijn op vorderingen die op het Unierecht zijn gebaseerd.

Overweging:

In een eerdere uitspraak heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat artikelen 1 en 3 van verordening 1360/2013 geen grondslag vormen voor een recht op terugbetaling, omdat deze bepalingen alleen met terugwerkende kracht voorzien in een verlaging van de productieheffingen. Verordening 1360/2013 bevatte geen bepalingen over de eventuele wijziging van vastgestelde heffingsaanslagen. De wijziging van dergelijke heffingsaanslagen was een zaak van nationaal recht, aangezien ook de inning van productieheffingen over het algemeen wordt beheerst door het nationale recht. Bijgevolg kan het naar nationaal recht onherroepelijke karakter van een heffingsaanslag in de weg staan aan een recht op terugbetaling. Artikel 2(2) van verordening 2018/264 geeft aanleiding tot twijfels daarover. Volgens artikel 2(2) van verordening 2018/264 moet het verschil tussen de eerder vastgestelde heffingen en de heffingen als bedoeld in verordening 2018/264 worden terugbetaald aan de marktdeelnemers die de eerdere heffingen hebben betaald, na een met redenen omkleed verzoek van de laatsten.

Prejudiciële vraag:

Moet de terugbetaling van productieheffingen in de sector suiker, waarvoor andere berekeningen dan voordien gelden op grond van verordening (EU) 1360/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2004/2005 en de bedragen die de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers moeten betalen vanwege het verschil tussen de maximumheffing en de te innen heffing voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2005/2006, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel worden uitgevoerd volgens nationaal recht en in het bijzonder met toepassing van de verjaringsregeling waarin dit recht voorziet?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-113/10, C-147/10 en C-234/10; C-591/10; C-387/16; C-362/12; C-453/00; C-234/04.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; JenV