C-364/18 en C-365/18 Eni e.a.

C-364/18 en C-365/18 Eni e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 juli 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    09 september 2018

Trefwoorden: brandstoffen; royalty;

Onderwerp:
-           Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de produktie van koolwaterstoffen;

Feiten:

Eén van de verplichtingen van de houder van een concessie voor de winning van koolwaterstoffen is het betalen van royalty’s. Verzoekster Eni heeft een aantal concessies voor de productie van aardgas en dient in verband met de verrichte activiteiten royalty’s voor de winning van bodemschatten te betalen, die bestaan in een bij wet vastgesteld percentage van het gewonnen gas. Met haar bezwaarschrift is verzoekster opgekomen tegen de handelingen van verschillende overheidsorganen waarbij is bevestigd dat de QE-index de referentieparameter voor de aan de staat te betalen royalty’s moet blijven. Het percentage dat in verband met de productie van koolwaterstofgassen aan de staat en aan de andere openbare instellingen verschuldigd is, zou volgens verzoekster daarentegen moeten worden vastgesteld op basis van de Pfor-index, die gekoppeld is aan de gasprijs op de kortetermijnmarkt, en niet door toepassing van de QE-parameter, die gebaseerd is op de prijs van aardolie en andere brandstoffen, zoals het ministerie van Economische Ontwikkelingen betoogt. Voor de regeling van de tarieven op de beschermde markt is de QE-index immers definitief verlaten, en deze index zou derhalve ook niet meer moeten worden gebruikt, zelfs niet voor de vaststelling van de hoogte van de royalty’s; daarvoor zou eveneens moeten worden verwezen naar de nieuwe Pfor-index, die door de AEEGSI (autoriteit voor elektriciteit, aardgas en het waterleidingnet) zo wordt vastgesteld dat deze juist de marktwaarde van aardgas weerspiegelt, aldus verzoekster.

Overweging:

In het nieuwe regelgevingskader hebben de concessiehouders niet langer de mogelijkheid om de staat (voor hun concessie) in natura te ‘betalen’ door een vooraf vastgesteld percentage van het door hen gewonnen gas aan de staat over de dragen. Het nieuwe regelgevingskader bevat voorts geen enkele aanwijzing dat de ‘tegenwaarde in de vorm van geld’ gelijk moet zijn aan de waarde van het vooraf vastgestelde percentage van het gewonnen gas. Kort samengevat moet niet worden uitgesloten dat een keuze van de AAEGSI wegens de werking van artikel 19(5bis) tot lagere belastinginkomsten kan leiden, doordat de QE-index wordt ingeruild voor de (alleen voor concessiehouders) gunstigere Pfor-index. De stelling van de concessiehouders kan uitsluitend worden verwezenlijkt indien vooraf een wet wordt vastgesteld waarin eveneens een regeling wordt getroffen voor de negatieve financiële gevolgen voor de overheidsbegroting die daaruit zouden voortvloeien. Daarom is het volgens de verwijzende rechter noodzakelijk om over te gaan tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Prejudiciële vraag:

Staan artikel 6, lid 1, en overweging 6 van richtlijn 94/22/EEG in de weg aan een nationale regeling, inzonderheid artikel 19, lid 5-bis, van wetsbesluit nr. 625 van 1996, die op grond van de uitlegging van de Consiglio di Stato in arrest nr. 290/2018 toestaat dat met het oog op de betaling van royalty’s de QEparameter, die is gebaseerd op de prijs van aardolie en andere brandstoffen, wordt toegepast in plaats van de Pfor-index, die gekoppeld is aan de gasprijs op de kortetermijnmarkt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK;