C-377/18 AH e.a.

C-377/18 AH e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    01 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    18 september 2018

Trefwoorden: strafrecht; vermoeden onschuld;

Onderwerp:
-           Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn

Feiten:

Zes personen (MH, PB, CX, AH, PH en KM) worden ervan verdacht van november 2014 tot 26 november 2015 te hebben deelgenomen aan een georganiseerde criminele groep die actief was in Sofia. Meer bepaald stelt de tenlastelegging dat deze zes personen waren verenigd in een georganiseerde criminele groep en de taken onderling hadden verdeeld om een gezamenlijk crimineel doel te verwezenlijken. Enkel MH heeft de wens geuit een schikking te treffen waarmee hij erkent schuldig te zijn aan de feiten waarvan hij wordt verdacht, in ruil voor strafvermindering. In de tekst van de schikking die aan de verwijzende rechter is voorgelegd, worden alle verdachten geïdentificeerd (naam en nationale identiteitsnummer). Dit geldt zowel voor MH, die de schikking heeft getroffen, als voor de overige vijf verdachten, die deze schikking niet hebben getroffen. Het enige verschil in de wijze van identificeren van deze personen bestaat erin dat MH tevens wordt geïdentificeerd met zijn geboortedatum en -plaats, adres, nationaliteit, etniciteit, gezinssituatie en gerechtelijke antecedenten. In de schikking moet worden aangegeven dat de handeling ten aanzien waarvan de verdachte die schikking heeft getroffen, door hem samen met derden is gepleegd. Dit gezamenlijk handelen kan van groot belang zijn voor de vraag of aan alle wezenlijke kenmerken van de handeling is voldaan, want voor het vormen van een georganiseerde criminele groep is de deelname van minimaal drie personen vereist.

Overweging:

De verwijzende rechter dient te beoordelen of het wettig is om de namen van de vijf andere verdachten, die deze schikking niet hebben getroffen te vermelden in de tekst van de schikking en die personen daarin te noemen als plegers van de strafbare feiten die het voorwerp zijn van deze zaak. Volgens vaste nationale rechtspraak dient de tekst van de schikking volledig  overeen te stemmen met de tekst van de tenlastelegging, waarin alle verdachten worden genoemd als medeplegers. Anderzijds is de termijn voor omzetting van richtlijn 2016/343 verstreken en is het een rechter krachtens artikel 4(1) van deze richtlijn verboden een verdachte als schuldig aan te duiden in een andere beslissing dan die welke betrekking heeft op de vaststelling van schuld. Aangezien de zaak die aan de verwijzende rechter wordt voorgelegd geen verband houdt met de schuld van AH, PB, CX, KM en PH, zou hij hen in de schikking die enkel betrekking heeft op MH niet bij name mogen noemen als plegers van de strafbare feiten. Aangezien de verwijzende rechter zich afvraagt of de nationale rechtspraak verenigbaar is met artikel 4 van richtlijn 2016/343, is een verzoek om een prejudiciële beslissing noodzakelijk.

Prejudiciële vragen:

Is nationale rechtspraak volgens welke in de tekst van een schikking (die wordt getroffen in het kader van een strafrechtelijke procedure) als pleger van een strafbaar feit niet alleen de verdachte moet worden genoemd die heeft erkend schuldig te zijn aan dat strafbare feit en de schikking heeft getroffen, maar ook andere verdachten – de medeplegers van het strafbare feit –, die deze schikking niet hebben getroffen, die niet hebben erkend schuldig te zijn en tegen wie de normale strafrechtelijke procedure zal worden voortgezet, maar die ermee hebben ingestemd dat de eerstgenoemde verdachte de schikking treft, verenigbaar met artikel 4, lid 1, eerste zin, juncto overweging 16, eerste zin, en overweging 17 van richtlijn 2016/343?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV