C-380/18 E.P.

C-380/18 E.P.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    08 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 september 2018

Trefwoorden: openbare order; schengengrenscode

Onderwerp:
-           Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: Schengengrenscode);
-           Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (hierna: SIS II-verordening);

Feiten:

In deze verwijzingsuitspraak is de vraag aan de orde of ingevolge artikel 6(1), aanhef en onder e, van de Schengengrenscode voor de vaststelling dat het rechtmatig verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen (hierna: het verblijf in de vrije termijn) is geëindigd omdat een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, is vereist dat wordt gemotiveerd dat de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. De rechtbank wijst op overwegingen van het Hof dat het begrip 'openbare orde' per geval moet worden beoordeeld teneinde na te gaan of de persoonlijke gedragingen van de desbetreffende vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Door slechts in de motivering te betrekken dat de vreemdeling wordt verdacht van een overtreding van de Opiumwet, zonder daarbij rekening te houden met zijn persoonlijke gedragingen en de bedreiging van de openbare orde die daarvan uitgaat, is de motivering volgens de rechtbank onvoldoende. Volgens de staatssecretaris is het voldoende dat die vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Verder wijst de staatssecretaris er op dat het verblijf in de vrije termijn ingevolge artikel 6(1), aanhef en onder d, van de Schengengrenscode ook wordt beschouwd als geëindigd indien een vreemdeling met het oog op weigering van toegang in het Schengeninformatiesysteem (hierna: SIS) is gesignaleerd, en dat uit artikel 24(2) van de de SIS II-verordening volgt dat voor een dergelijke signalering wegens een 'gevaar voor de openbare orde' niet is vereist dat de persoonlijke gedragingen van de desbetreffende vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Gelet daarop ligt het volgens de staatssecretaris niet in de rede dat hij wel aan die motiveringseisen moet voldoen bij de vaststelling dat het verblijf in de vrije termijn ingevolge artikel 6(1) aanhef en onder e, van de Schengengrenscode is geëindigd omdat een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde.

Overweging:

De vraag rijst of ingevolge artikel 6(1), aanhef en onder e, van de Schengengrenscode voor de vaststelling dat het verblijf in de vrije termijn is geëindigd omdat een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, is vereist dat de staatssecretaris motiveert dat de persoonlijke gedragingen van de desbetreffende vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Bij een ontkennend antwoord op die vraag, rijst de vraag welke maatstaf dan geldt bij de toepassing van artikel 6(1) aanhef en onder e, van de Schengengrenscode, en met name of daarvoor voldoende is dat vaststaat dat de desbetreffende vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:
1. Moet artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EU) nr. 2016/399 (PB 2016 L 77; de Schengengrenscode) aldus worden uitgelegd dat bij de vaststelling dat het rechtmatig verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen is geëindigd omdat een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, moet worden gemotiveerd dat de persoonlijke gedragingen van de desbetreffende vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen?

2. Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, welke eisen moeten volgens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EU) nr. 2016/399 (PB 2016 L 77; de Schengengrenscode) gelden voor de motivering dat een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde? Moet artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EU) nr. 2016/399 (PB 2016 L 77; de Schengengrenscode) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde op grond van het enkele feit dat vaststaat dat de desbetreffende vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Zh. et O. C-554/13; H.T. C-373/13; Fahimian C-544/15; Chakroun C-578/08; J.N. C-601/15; Koushkaki C-84/12.

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb