C-394/18 I.G.I.

C-394/18 I.G.I.

Prejudiciële hofzaak.

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    01 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    18 september 2018

Trefwoorden: splitsing; vennootschapsrecht;

Onderwerp:
-           Richtlijn 82/891/EEG van 17 december 1982 [Zesde Richtlijn (82/891/EEG) van de Raad van 17 december 1982, op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag, betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen;
-           Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht;

Feiten:

Eisers hebben de besloten vennootschappen IGI en Costruzioni gedagvaard, waarbij zij stellen dat zij schuldeisers zijn en dat de vennootschap die hun schuldenaar is (Costruzioni), bij notariële akte van 16.09.2009 een deel van haar vermogen heeft afgesplitst door dit over te dragen aan IGI, zijnde de vennootschap die is opgericht bij diezelfde notariële akte en die dezelfde vennoten heeft als de gesplitste vennootschap. Eisers stellen dat door de splitsing een groot deel van het vermogen uit Costruzioni is weggesluisd. Daarom hebben ze op grond van artikel 2901 BW verzocht om een verklaring voor recht dat de splitsingshandeling jegens hen onverbindend is. De primaire eis van eisers werd toegewezen door de rechter in eerste aanleg, die bij vonnis de in de akte van splitsing opgenomen overdrachtsakte van de activa ten aanzien van eisers onverbindend heeft verklaard. IGI is tegen het vonnis in beroep gekomen bij de appelrechter. Zij heeft in hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid en/of afwijzing van de vordering en Costruzioni heeft zich daarbij aangesloten. IGI en Costruzioni wijzen erop dat voor de schuldeisers van aan de (fusie en) splitsing deelnemende vennootschappen het rechtsstelsel uitsluitend voorziet in het speciale rechtsmiddel van verzet zoals bepaald in artikel 2503 BW, en dat, wanneer dit niet is aangewend, de gevolgen ook gelden ten aanzien van de schuldeisers. De vennootschappen voeren bovendien aan dat artikel 2504-quater uitsluit dat de akte van splitsing ongeldig wordt verklaard nadat voldaan is aan de verplichting tot publicatie

Overweging:

Om arrest te kunnen wijzen acht de verwijzende rechter het noodzakelijk een verzoek te doen aan het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12 en 19 van richtlijn 82/891; deze richtlijn is ingetrokken bij artikel 166 van richtlijn 2017/1132. In laatstgenoemde richtlijn zijn de aangehaalde artikelen 12 en 19 vervangen door de artikelen 146 en 153. De twijfel over de uitlegging is of de schuldeisers volgens artikelen 12 en 19 (146 en 153) de vordering tot vernietiging mogen instellen zodat de splitsing jegens hen “onverbindend” wordt verklaard, en dat de schuldeisers zich als gevolg van die verklaring kunnen verhalen op het vermogen dat de gesplitste vennootschap had overgedragen aan de nieuwe vennootschap, zonder dat diezelfde schuldeisers van de gesplitste vennootschap op grond van artikel 2503 BW van het interne recht in verzet zijn gekomen tegen de voorgenomen splitsing, en zonder dat er enige vordering tot nietigverklaring en/of ongeldigheid van de splitsing is ingesteld.

Prejudiciële vragen:

1. Kunnen de schuldeisers van de gesplitste vennootschap van wie de vorderingen zijn ontstaan vóór de splitsing, maar die het rechtsmiddel van verzet als bedoeld in artikel 2503 BW (dat wil zeggen van het beschermingsinstrument dat is ingevoerd ter uitvoering van artikel 12 van de richtlijn) niet hebben aangewend, de vordering tot vernietiging als bedoeld in artikel 2901 BW instellen nadat de splitsing van kracht is geworden, teneinde de splitsing jegens hen onverbindend te laten verklaren en dus in hun verhaalsmogelijkheden bevoorrecht te worden ten opzichte van de schuldeisers van (een van) de verkrijgende vennootschap(pen) alsmede voorrang te krijgen boven de vennoten van bedoelde vennootschap(pen)?

2. Heeft het begrip nietigheid als bedoeld in artikel 19 van de richtlijn uitsluitend betrekking op de rechtsvorderingen waarmee aan de splitsingshandeling de geldigheid kan worden ontnomen of ook op die welke, zonder dat zij de geldigheid eraan ontnemen, ertoe leiden dat wordt vastgesteld dat de splitsingshandeling relatief onverbindend is of dat zij niet kan worden tegengeworpen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV