C-395/18 Tim

C-395/18 Tim

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    01 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    18 september 2018

Trefwoorden: overheidsopdrachten; aanbestedingen

Onderwerp:
-           Artikel 5 VEU;
-           Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG;

Feiten:

Op 29 juli 2016 heeft Consip een aanbesteding uitgeschreven voor “de plaatsing van een overheidsopdracht voor de levering van het Wavelength Division Multiplexing (WDM)-netwerk voor de onderlinge koppeling van de datacentra van de afdelingen RGS, DT en DAG”. De geraamde waarde van de opdracht was €1.420.785,60 exclusief btw. Conform de specificaties van het aanbestedingsdossier heeft Tim bij het indienen van haar inschrijving drie onderaannemers genoemd die zij wilde inschakelen indien haar de opdracht werd gegund. In de loop van de procedure heeft Consip vastgesteld dat een van de drie onderaannemers die door Tim werden genoemd, niet voldeed aan de regels betreffende de toegang tot het arbeidsproces van mensen met een handicap. Vervolgens heeft Consip Tim krachtens artikel 80(5)i) van wetsbesluit 50/2016 uitgesloten van de aanbestedingsprocedure. Tim heeft daarop beroep ingesteld bij de verwijzende rechter omdat de uitsluiting onrechtvaardig en onevenredig is. Tim stelt dat richtlijn 2014/24 duidelijk bepaalt dat wanneer op een onderaannemer een uitsluitingsgrond van toepassing is, dit niet kan leiden tot een sanctie ten laste van de kandidaat die verder gaat dan de vervanging van de onderaannemer. Bovendien had Tim in elk geval de andere twee in de offerte opgenomen onderaannemers kunnen inschakelen om de opdracht uit te voeren. Ten slotte stelt Tim dat een beroep op de onderaannemer hoe dan ook niet onmisbaar was om de opdracht te kunnen uitvoeren, aangezien zij zelf voldeed aan de voorwaarden die nodig waren om de prestaties te verrichten.

Overweging:

In deze zaak moet worden verduidelijkt of het bepaalde in artikel 80(5) wetsbesluit 50/2016 verenigbaar is met het Unierecht, met name het deel dat bepaalt dat wanneer tijdens de aanbestedingsprocedure na verificatie wordt vastgesteld dat er grond tot uitsluiting van een onderaannemer is, de aanbestedende dienst in alle gevallen gehouden is om niet alleen de onderaannemer uit te sluiten, maar ook de kandidaat die heeft aangegeven deze onderaannemer te willen inschakelen. Bij de regeling van de uitsluitingsgronden voor de aanbestedingsprocedure verwijst artikel 57(5) van richtlijn 2014/24 namelijk naar de gevallen die betrekking hebben op “de ondernemer”. Daarom moet worden verduidelijkt of de situaties bedoeld in artikel 57 van de richtlijn alleen tot uitsluiting van de ondernemer tijdens de aanbestedingsprocedure kunnen leiden wanneer het de ondernemer zelf betreft, of dat het is toegestaan de inschrijver ook uit te sluiten wanneer de uitsluitingsgrond alleen van toepassing is op een onderaannemer die door hem is aangewezen.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de artikelen 57 en 71, lid 6, van richtlijn 2014/24/EU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regel als die in artikel 80, lid 5, van wetsbesluit nr. 50/2016, die voorziet in de uitsluiting van de inschrijver wanneer tijdens de aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld dat er grond is tot uitsluiting van een onderaannemer die deel uitmaakt van het drietal dat in de offerte is vermeld, in plaats van het opleggen van een verplichting aan de inschrijver om de betreffende onderaannemer te vervangen;

2. subsidiair, mocht het Hof van Justitie van oordeel zijn dat aan de lidstaat de mogelijkheid van uitsluiting van een inschrijver toekomt, verzet het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 VEU, opgenomen in „overweging” 101 van richtlijn 2014/24/EU en door het Hof van Justitie tot algemeen beginsel van het Unierecht verklaard, zich tegen een nationale regel als die in artikel 80, lid 5, van wetsbesluit nr. 50/2016, die bepaalt dat de inschrijver in alle gevallen wordt uitgesloten wanneer tijdens een aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld dat er grond is tot uitsluiting van een onderaannemer, ook indien er andere onderaannemers zijn die niet zijn uitgesloten en die voldoen de vereisten om de in onderaanneming gegeven diensten te verrichten, of indien de inschrijver verklaart af te zien van de diensten van de onderaannemer omdat hij zelf voldoet aan de vereisten om de diensten te verrichten.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; BZK;