C-397/18

C-397/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    23 september 2018

Trefwoorden: ontslag; discriminatie; arbeidsrecht

Onderwerp:
- Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep

Feiten:

PJ trad op 01.07.2004 in dienst van de onderneming Nobel Plastiques Ibérica. Op 22.03.2017 ontving zij een brief van de onderneming waarin haar ontslag om objectieve redenen werd aangezegd. Tegelijk met haar werden nog negen andere personen ontslagen. De onderneming hanteerde de volgende criteria voor de selectie van de werknemers die zouden worden ontslagen: werkzaam in processen voor de assemblage en vorming van plastic buizen, een productiviteit van minder dan 95%, een lage multi-inzetbaarheid en een hoog verzuim. Volgens de onderneming voldeed verzoekster aan alle vier de criteria, aangezien zij werkzaam was in processen voor de assemblage en vorming van plastic buizen, over het jaar 2016 een gewogen gemiddelde productiviteit van 59,82% had laten registreren, in zeer beperkte mate meervoudig kon worden ingezet en in het jaar 2016 een verzuim van 69,55% had. Verzoekster leed aan epicondylitis aan haar rechterarm. De aandoening werd aangemerkt als beroepsziekte en verzoekster was tijdelijk arbeidsongeschikt gedurende verschillende perioden. Sinds zij in het jaar 2011 werd gediagnosticeerd met epicondylitis is zij na elk herstel onderworpen aan een medisch onderzoek, waarbij telkens werd vastgesteld dat zij “geschikt was met beperkingen”. PJ werd op 15.12.2011 aangemerkt als werknemer met een bijzondere kwetsbaarheid en is dat sindsdien gebleven, waarbij het laatste rapport van de gezondheidsdienst en de medische dienst dateert van 06.02.2017. Verzoekster verzoekt ten principale om nietigverklaring van het ontslag omdat er sprake zou zijn van discriminatie op grond van een handicap. In dit verband betoogt verzoekster dat zij is gediscrimineerd op grond van ziekte, aangezien zij toen zij werd ontslagen tijdelijk arbeidsongeschikt was, als gevolg van een aandoening die verband hield met de uitgevoerde taken, en zij “geschikt” was verklaard “met beperkingen”, hetgeen inhoudt dat zij een blijvende arbeidsbeperking heeft. Verder werd zij gekwalificeerd als “bijzonder kwetsbaar” overeenkomstig artikel 25(1) LPRL (Ley 31/1995). Volgens verzoekster moet zij daarom voor de doeleinden van richtlijn 2000/78 worden beschouwd als personen met een handicap, in de zin van artikel 1 VN-Verdrag, ook al is er bij haar geen arbeidsongeschiktheidsgraad erkend. Ook voert zij aan dat er sprake is van directe, of in ieder geval indirecte, discriminatie.

Overweging:

De verwijzende rechter wijst erop dat eerst de vraag moet worden beantwoord of de definitie van artikel 25(1) LPRL ‘bijzondere kwetsbaarheid’ kan worden gelijkgesteld aan het begrip ‘handicap’ van de richtlijn. Daarna kan worden bepaald of de selectiecriteria die zijn toegepast voor het ontslag direct of indirect afbreuk doen aan het beginsel van gelijke behandeling van personen met een handicap en of de verplichting om te voorzien in redelijke aanpassingen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn het noodzakelijk maakt dat de selectiecriteria die verband houden met de handicap van de werkneemster niet in aanmerking worden genomen met het oog op haar ontslag.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten werknemers die zijn aangemerkt als bijzonder kwetsbaar voor bepaalde risico’s worden beschouwd als personen met een handicap voor de doeleinden van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, wanneer zij, als gevolg van hun eigen persoonlijke kenmerken of bekende biologische toestand bijzonder kwetsbaar zijn voor beroepsrisico’s en om die reden bepaald werk niet kunnen vervullen omdat daaraan een risico voor hun eigen gezondheid of die van andere personen is verbonden?

Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt:

2. Vormt het besluit tot ontslag van een werkneemster om economische, technische, organisatorische of productieredenen directe of indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 wanneer zij een erkende handicap heeft die ertoe leidt dat zij ten gevolge van haar lichamelijke aandoening bijzonder kwetsbaar is [voor bepaalde risico’s] verbonden aan bepaald werk en daardoor moeite heeft om het productiviteitsniveau te halen dat vereist is om niet door ontslag te worden getroffen?

3. Vormt het besluit tot ontslag van een werkneemster om economische, technische, organisatorische of productieredenen directe of indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 wanneer zij een erkende handicap heeft die met zich meebrengt dat zij als gevolg van haar lichamelijke aandoening bijzonder kwetsbaar is [voor bepaalde risico’s] verbonden aan bepaald werk en het besluit wordt genomen op grond van, naast andere toepasselijke criteria, multi-inzetbaarheid in alle arbeidsfuncties, waaronder die welke de persoon met een handicap niet kan vervullen?

4. Vormt het besluit tot ontslag van een werkneemster om economische, technische, organisatorische of productieredenen indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 wanneer zij een erkende handicap heeft en als gevolg van haar lichamelijke aandoening, die voorafgaand aan het ontslag tot lange perioden van afwezigheid en ziekteverzuim heeft geleid, bijzonder kwetsbaar is [voor bepaalde risico’s] verbonden aan bepaald werk, en het besluit wordt genomen op grond van, naast andere toepasselijke criteria, het verzuim van deze werkneemster?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-335/11 en C-337/11, C-270/16, C-395/15.

Specifiek beleidsterrein: SZW