C-400/18 Infohos

C-400/18 Infohos

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    07 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 september 2018

Trefwoorden: btw; vrijstelling;

Onderwerp:
-           Richtlijn 77/3 88/EEG van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Eiseres (Infohos) is een vereniging voor ziekenhuisinformatica, opgericht door verschillende OCMW's (openbare centra voor maatschappelijk welzijn). Eisers heeft op 05.09.2000 een samenwerkingsakkoord gesloten met de IHC-group met als doel de gezamenlijke ontwikkeling van vernieuwende software voor ziekenhuizen die als lid zijn aangesloten bij eiseres. Eiseres verleende ook diensten aan niet-leden. Eiseres liet zich niet registreren als btw-belastingplichtige, aangezien zij meende niet als belastingplichtige te kunnen worden beschouwd overeenkomstig artikel 6 Btw-wetboek, of minstens te kunnen genieten van de bij artikel 44§2(1°bis)  Btw-wetboek voorziene vrijstelling. Op 20.04.2005 werd bij eiseres een btw-controle uitgevoerd waaruit bleek dat de wederzijdse diensten tussen eiseres en IHC-Group aan btw onderworpen dienden te worden en dat het verrichten van belastbare handelingen voor niet-leden van eiseres tot gevolg had dat de handelingen ten aanzien van haar leden ook aan btw dienden te worden onderworpen. Eiseres ging hiertegen in beroep en vorderde o.a. de kwijtschelding van de opgelegde boeten en veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding. Bij vonnis van 23.02.2009 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg onder meer dat de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 44§2(1°bis)   Btw-wetboek niet vervuld waren, en dat de eiseres voor al de door haar verleende diensten, aan leden en niet-leden, btw verschuldigd was. Bij arrest van 21.09.2010 oordeelde het hof van beroep eveneens dat eiseres geen beroep kon doen op artikel 44§2(1°bis) Btw-wetboek op gevaar af de concurrentie te verstoren. Verder oordeelde het hof van beroep dat de eiseres, als gemengde belastingplichtige, een vordering tot teruggaaf tegen de verweerder kon instellen. Verweerder stelde tegen dit arrest een cassatievoorziening in. Bij arrest van 31.10.2014 vernietigde de verwijzende rechter het arrest van het hof van beroep omdat het tegenstrijdig is te oordelen dat de eiseres geen beroep kan doen op artikel 44§2(1°bis) Btw-wetboek, hetgeen impliceert dat zij het statuut van volledige belastingplichtige krijgt, en tegelijkertijd dat zij zich kan beroepen op het statuut van gemengde belastingplichtige.

Overweging:

De verwijzende rechter oordeelt dat uit een strikte interpretatie van artikel 13, A, lid 1, f), richtlijn 77/3 88 – met name de voorwaarde dat de groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven – volgt dat zij uitsluit dat de dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan personen die er geen deel van uitmaken. Eiseres beperkt zich niet tot het verrichten van diensten aan haar leden, maar gaat ook over tot de commercialisatie van softwaretoepassingen naar derden; hierdoor zou zij voor het geheel van haar activiteiten geen beroep kunnen doen op de vrijstelling.  Eiseres voert aan dat de toepassingsvoorwaarde opgenomen in artikel 2, 1°, koninklijk besluit 43, overeenkomstig welk de groepering uitsluitend diensten aan haar leden mag verrichten, strijdig is met artikel 13, A, lid 1, f), richtlijn 77/388/. De opgeworpen betwisting kan alleen worden opgelost door een uitleg van voormelde bepaling van richtlijn 77/388. De verwijzende rechter gaat daarom over tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 13, A, lid 1, f), Richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977, thans artikel 132, 1⁰, f) Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, zo worden uitgelegd dat het de lidstaten toelaat aan de daarin bepaalde vrijstelling een exclusiviteitsvoorwaarde te verbinden waardoor een zelfstandige groepering die eveneens diensten presteert aan niet-leden, ook voor de diensten verstrekt aan leden integraal onderworpen is aan de btw?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Dornier C-45/01; Kügler C-141/00; Zoological Society C-267/00; Stichting Uitvoering Financiële Acties 348/87; IGI C-134/99; Mohsche C-193/91; Montecello C-498/03; Commissie/Duitsland C-287/00; Commissie/Frankrijk C-76/99; Maierhofer C-315/00; Zimmerman C-174/11; VDP Dental Laboratory C-401/05; Stichting Centraal Begeleidingsorgaan C-407/07.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal