C-406/18

C-406/18 PG

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 november 2018

Trefwoorden: asiel; rechtsbescherming;

Onderwerp:

-           EVRM;

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.


Feiten:

Verzoeker (Iraaks staatsburger, behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep) diende op 22.08.2017 een verzoek in tot toekenning van de vluchtelingenstatus op grond dat zijn leven in zijn land in gevaar was,  zodat hij zich genoodzaakt had gezien het te ontvluchten. Verzoeker was zonder identiteitspapieren aangekomen in de Hongaarse transitzone. Aan het einde van de procedure weigerde de bevoegde asielinstantie bij besluit de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming aan verzoeker te verlenen en verklaarde zij dat het beginsel van non-refoulement niet op zijn geval van toepassing was. De bevoegde asielinstantie gelastte de terugkeer van verzoeker van het grondgebied van de EU naar dat van de regionale regering van Iraaks Koerdistan (KRG) en beval uitvoering van het besluit door middel van verwijdering. Bovendien legde zij verzoeker een inreis- en verblijfsverbod van twee jaar op. Verzoeker stelde tegen dat besluit beroep in bij de bestuursrechter. De rechter dient bij zijn uitspraak in het kader van dat beroep §68 van wet LXXX van 2007 inzake het recht op asiel na te leven. In §68(2) van de wet inzake het recht op asiel is bepaald dat de rechter binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoekschrift uitspraak moet doen. Krachtens §68(5) van de wet inzake het recht op asiel kan de rechter de besluiten van de bevoegde asielinstantie niet wijzigen.


Overweging:

Sinds 15.09.2015 is het de rechters op grond van de wet inzake het recht op asiel verboden in het kader van asielzaken genomen administratieve besluiten te wijzigen. Krachtens artikel 31 van de richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling. In de huidige Hongaarse regeling wordt voorbijgegaan aan deze criteria. Door de rechters de bevoegdheid te ontnemen om besluiten te wijzigen, nemen de kans op en het risico van een ongerechtvaardigde verlenging van de asielprocedure aanzienlijk toe. De huidige Hongaarse regeling maakt het mogelijk dat het proces ad infinitum wordt verlengd en herhaald. Om verzoeker in het kader van zijn zaak een doeltreffende, werkelijke en adequate voorziening in rechte te kunnen waarborgen, gaat de verwijzende rechter over tot het stellen van de prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

1. Kunnen artikel 47 van het Handvest van de grondrechten [van de Europese Unie] en artikel 31 van richtlijn 2013/3[2]/EU van het Europees Parlement en de Raad (bekend als de „procedurerichtlijn”), in het licht van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat een doeltreffende voorziening in rechte kan waarborgen niettegenstaande dat de rechters van die lidstaat besluiten die in een asielprocedure zijn genomen, niet kunnen wijzigen, maar deze alleen nietig kunnen verklaren en een nieuwe procedure kunnen gelasten[?]

2. Kunnen artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 31 van de procedurerichtlijn, eveneens in het licht van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, aldus worden uitgelegd dat de wettelijke regeling van een lidstaat verenigbaar is met die bepalingen voor zover zij voorziet in één enkele dwingende termijn van in totaal 60 dagen voor gerechtelijke asielprocedures, ongeacht individuele omstandigheden en zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de zaak of met eventuele problemen inzake bewijs [?]


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Cartesio C-210/06.

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb; JenV