C-407/18 Addiko Bank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    07 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 september 2018

Trefwoorden: consumentenrecht; oneerlijk beding; executieprocedure

Onderwerp:
-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: richtlijn 93/13);

Feiten:

In een executieprocedure heeft de bank, als schuldeiser, verzocht om twee consumenten, als debiteuren, te veroordelen tot nakomen van een kredietverplichting (hypothecaire lening) op grond van een onmiddellijk uitvoerbare notariële akte betreffende een hypotheekkrediet. Deze kredietverplichting was gekoppeld aan de Zwitserse frank, maar de debiteuren moesten de termijnbetalingen in de Euro voldoen op basis van de referentiewisselkoers van de ECB op de dag van betaling. De rechter in eerste aanleg heeft verlof verleend voor de gevorderde tenuitvoerlegging. De debiteuren hebben in hun verzet tegen het verlof tot executie aangevoerd dat de bank hen niet adequaat had gewaarschuwd voor het valutarisico, waardoor zij een onevenwichtige overeenkomst zijn aangegaan op grond waarvan zij nu een aanmerkelijk hoger bedrag moeten terugbetalen dan de bank aan hen heeft geleend. Zij vinden daarom dat de partijen zich in een ongelijke positie bevinden. Hierop stelt de schuldeiser dat zij geen invloed heeft of de schommelingen van de wisselkoers. De debiteuren zijn vrijwillig de overeenkomst aangegaan en zijn daarom hierdoor gebonden. Daarnaast voert zij aan dat zij de debiteuren heeft ingelicht over het valutarisico. De rechter in eerste aanleg heeft het verzet van de debiteuren afgewezen en verklaard dat zij gehouden waren om de overeenkomst na te komen. Het wel of niet adequaat waarschuwen van de bank is niet van belang, de verplichting komt voort uit de notariële akte. De debiteuren verzoeken met hun verzet om de vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg en om terug verwijzing van de zaak voor een nieuwe procedure. De verwijzende rechter vraagt om de vragen volgens de versnelde procedure te behandelen.

Overweging:

De verwijzende rechter is tot de conclusie gekomen dat het beding in de notariële akte dat bepaalt dat de lening wordt gekoppeld aan een vreemde valuta, zonder te voorzien in passende beperkingen van het risico van wisselkoersschommelingen, oneerlijk is. Volgens de uit de Sloveense rechtspraak volgende uitlegging van het beginsel van de bindende aard van beschikkingen mag de executierechter de gedwongen executie echter niet weigeren vanwege een oneerlijk beding, zelfs niet wanneer de executierechter het bestaan van een dergelijk beding in de notariële akte zelf of in andere processtukken vaststelt. Hij mag namelijk niet nagaan of de inhoud van de executoriale titel geoorloofd is, maar is gebonden om hier onvoorwaardelijk uitvoering aan te geven. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat aan het beginsel van doeltreffendheid alleen recht kan worden gedaan wanneer de nationale rechter over een effectieve mogelijkheid beschikt om te toetsen of een beding oneerlijk is. Deze mogelijkheid dient te bestaan nog voordat de tenuitvoerlegging in het kader van een executieprocedure in gang wordt gezet. Het Sloveense recht lijkt het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid op dit punt te schenden. De verwijzende rechter gaat daarom over tot het stellen van de prejudiciële vraag. 

Prejudiciële vraags:

Moet richtlijn 93/13/EEG van de Raad, gelet op het beginsel van doeltreffendheid van het recht van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de executierechter, in het kader van de executieprocedure, de tenuitvoerlegging wegens een oneerlijk (vexatoir) beding in een onmiddellijk uitvoerbare notariële akte (executoriale titel) ambtshalve moet weigeren in een geval als in het onderhavige geding, waarin de procesregels van de lidstaat de executierechter geen doeltreffende mogelijkheid bieden om (op verzoek van de debiteur of ambtshalve) de tenuitvoerlegging op te schorten zolang in de procedure ten gronde, die door de debiteur als consument aanhangig is gemaakt, geen in kracht van gewijsde gegane beslissing inzake de oneerlijke aard van het beding is gegeven?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Aziz C415/11; Andriciuc e.a. C-186/16; Oceano Grupo Editorial C-240/98 C-244/98; Mostaza Claro C-168/05; Asturcom Telecomunicaciones C-40/08;  Banco Español de Crédito, C-618/10; Pannon GSM, C-243/08; Banco Popular Español e Banco de Valencia, C-537/12 en C-116/13; Morcillo, C-169/14; C-49/14;

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN; JenV