C-42/18 Cardpoint

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    15 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    1 mei 2018

Trefwoorden: omzetbelasting; btw;

Onderwerp:

-           Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;

Feiten:

Verzoekster (Cardpoint GmbH) verstrekt haar opdrachtgever, een bank, bij overeenkomst vastgelegde diensten in verband met de exploitatie van geldautomaten. Verzoekster installeerde gebruiksklare geldautomaten, met soft- en hardware en voorzien van het logo van de bank, op de overeengekomen plaatsen en was verantwoordelijk voor de goede werking ervan. Verzoekster vervoerde bankbiljetten, die eigendom van de bank waren en haar met het oog op vervoer naar de geldautomaten ter beschikking werden gesteld, en nam ook het vullen van de geldautomaten met contant geld voor haar rekening. Zij installeerde en onderhield de software die voor de goede werking van de geldautomaten noodzakelijk was. Zij verstrekte advies over de dagelijkse exploitatie van de geldautomaten. Verzoekster, die haar diensten aanvankelijk als belastbare diensten had beschouwd, diende op 07.02.2007 een gewijzigde btw-aangifte voor het jaar 2005 in en verzocht overeenkomstig §164 van de algemene belastingwet om een aanpassing van de reeds opgelegde belastingaanslag. Zij voerde aan dat haar diensten van belasting waren vrijgesteld. Verweerder (de belastingdienst) was het hiermee oneens en wees het verzoek af. Het tegen dat besluit aangetekende bezwaar werd eveneens afgewezen. De belastingrechter in eerste aanleg wees het beroep van verzoekster daarentegen toe. In Revision heeft de bevoegde kamer, gelet op de bij het Hof aanhangige zaak C-607/ 14, Bookit, de procedure geschorst overeenkomstig §74 van het wetboek van fiscale procedure. De procedure werd hervat nadat het Hof op 26.05.2016 in die zaak arrest had gewezen. De activiteit van verzoekster onderscheidt zich slechts van die welke Bookit uitoefende voor zover de gewenste transactie bij Bookit de aankoop van een bioscoopkaartje betrof, terwijl het in casu gaat om geldopnamen aan een geldautomaat.

Overweging:

De prejudiciële vraag is ingegeven door het feit dat de verwijzende rechter in het licht van de criteria die worden gehanteerd in het arrest van het Hof in de zaak Bookit betwijfelt of ondersteunende diensten aan een bank bij de exploitatie van geldautomaten van belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig § 4.8d UStG, wanneer de dienstverrichter alleen zorgt voor de technische uitvoering van instructies die in een autorisatiecode zijn vervat. De verwijzende rechter acht het wenselijk dat het Hof zelf duidelijkheid verschaft over de twijfels rond de uitlegging van het Unierecht die ten gevolge van zijn arrest Bookit zijn gerezen.

Prejudiciële vragen:

Zijn technische en administratieve handelingen in verband met de opname van contanten aan geldautomaten die een dienstverlener verricht voor een bank die geldautomaten exploiteert, vrijgesteld van belasting overeenkomstig artikel 13, B, onder d), punt 3, van richtlijn 77/388/EEG, terwijl volgens het arrest van het Hof van 26 mei 2016 in de zaak Bookit (EU:C:2016:355) vergelijkbare technische en administratieve handelingen die een dienstlener verricht in verband met kaartbetalingen in het kader van de verkoop van bioscoopkaartjes ingevolge deze bepaling niet van belasting zijn vrijgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Bookit C-607/14.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal