C-421/18 Ordre des avocats du barreau de Dinant

C-421/18 Ordre des avocats du barreau de Dinant

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    30 september 2018

Trefwoorden: bevoegdheid; vorderingen; overeenkomst; vereniging

Onderwerp:

-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

Feiten:

JN is ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten van de balie van Dinant in België (hierna: de Orde). Hij verklaart dat hij in de jaren 1990 in Frankrijk is gaan wonen, terwijl hij ingeschreven bleef op het tableau van de Orde waaraan hij tot 2012 zijn bijdragen heeft betaald. Op 29.05.2015 heeft de stafhouder van de Orde hem een brief gestuurd om betaling te vorderen van een totaalbedrag van €4.197,70 voor het gedeelte van de beroepsbijdragen dat overeenstemt met de door de Orde betaalde verzekeringspremies voor de jaren 2013 tot en met 2015. Omdat betaling uitbleef, zijn hem op 11.12.2015 en 21.12.2016 aanmaningen gestuurd, maar zonder resultaat. Vervolgens werd op 23.01.2017 een ingebrekestelling gestuurd aan JN. In zijn antwoord op die ingebrekestelling heeft JN melding gemaakt van financiële moeilijkheden en stelde hij een betaling in termijnen voor van maximaal €100,- per maand. Aangezien nog altijd geen enkele betaling was verricht, heeft de Orde op 17.05.2017 JN gedagvaard om te verschijnen voor de Tribunal. Op 16.05.2017 heeft JN de stafhouder van de Orde verzocht om ten eerste van het tableau te worden geschrapt en ten tweede in termijnen te betalen over een periode van 24 maanden. De vordering van de Orde strekt ertoe om JN te veroordelen tot betaling van €7.277,70 vermeerderd met wettelijke rente en om te laten verklaren dat het vonnis als Europese executoriale titel geldt. JN stelt dat alleen de Franse rechterlijke instanties bevoegd zijn op grond van de bepalingen van verordening 1215/2012.

Overweging:

Het begrip “verbintenis uit overeenkomst” van artikel 7.1 van verordening 1215/2012 is een Unierechtelijk begrip. In het arrest Martin Peters Bauunternehmung betreffende artikel 5.1 van het Verdrag van Brussel (dat overeenstemt met artikel 7.1 van verordening 1215/2012) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met name geoordeeld dat verbintenissen tot betaling van een geldsom, welke hun grondslag hebben in de tussen een vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding, zijn te beschouwen als “verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5.1 van het Verdrag. De vraag rijst of die uitlegging kan worden toegepast op de vordering van een orde van advocaten die ertoe strekt een van zijn leden te veroordelen tot betaling van de aan deze orde verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vraag.

Prejudiciële vragen:

Is de vordering van een orde van advocaten die ertoe strekt een van zijn leden te veroordelen tot betaling van de aan deze orde verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen, een vordering ,ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Martin Peters Bauunternehmung GMBH/Z.N.A.V. 34/82;

Specifiek beleidsterrein: JenV