C-429/18 Fernández Álvarez e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    15 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    01 oktober 2018

Trefwoorden: arbeidsrecht; discriminatie; gezondheidszorg

Onderwerp:

-           Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU);

-           Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU);

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest);

-           Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;

-           Raamovereenkomst van het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, bijlage bij richtlijn 1999/70, clausule 1;


Feiten:

Verzoeksters maken deel uit van het tijdelijk statutair personeel op interimbasis van, en zijn als tandheelkundigen in dienst bij, verschillende gezondheidscentra in de Comunidad de Madrid, die onder de verantwoordelijkheid vallen van de Servicio de Salud de Madrid.  Volgens artikel 9 van wet 55/2003 kan tijdelijk statutair personeel worden aangesteld wegens behoefte van de dienst, spoedeisendheid of ter uitvoering van programma’s van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard. Ontslag van dat personeel vindt plaats wanneer via de wettelijke of reglementair vastgestelde procedure vast personeel wordt aangesteld voor die functie, en wanneer die functie wordt opgeheven. Gedurende deze gehele periode hebben verzoeksters constant en onafgebroken dezelfde functies uitgeoefend als de vaste statutaire personeelsleden. Verzoeksters hebben de verschillende aanstellingen en opeenvolgende ontslagen niet aangevochten. Verzoeksters maakten op 22.07.2016 bezwaar waarbij zij aanvoerden dat hun juridische status onverenigbaar was met richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst. Dat bezwaar werd door de viceminister van volksgezondheid afgewezen omdat het niet tegen een besluit, een handeling, een nalaten of een feitelijke situatie was gericht. Vervolgens hebben zij beroep ingesteld bij de verwijzende rechter om elke bestaande discriminatie ten opzichte van het vaste statutaire personeel in strijd met de richtlijn te verklaren en op te heffen, en om hun de status toe te kennen van werknemer met een vast dienstverband bij de overheid. Verzoeksters voeren aan dat zij gedurende meer dan 12, 14 en 17 jaar ononderbroken in dienst waren in de categorie van personeel op oproep / vervanging / interimbasis. Ook zouden de Spaanse diensten misbruik maken van tijdelijke aanwervingen, omdat zij deze gebruiken om te voorzien in permanente en structurele behoeften, zonder dat er objectieve redenen bestaan die dit misbruik rechtvaardigen of verklaren. De administratie voert aan dat de richtlijn niet is geschonden, aangezien de Spaanse rechtspraak de omzetting naar de status van ambtenaar met een vaste aanstelling of vast statutair personeelslid niet toestaat. Zij is van mening dat verzoeksters de ontslagen en aanstellingen hadden moeten aanvechten en dat de opeenvolgende aanstellingen waren gerechtvaardigd, aangezien er een objectieve reden bestond en aangezien de gezondheidszorg een publieke sector is die voorziet in tijdelijke en spoedeisende behoeften.


Overweging:

De verwijzende rechter is van mening dat er in de Spaanse rechtspraak sprake is van uiteenlopende uitleggingen van richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst, wat samen met het feit dat de enige rechtsgrondslag van het verzoek op die wetgeving steunt, het verzoek om een prejudiciële beslissing rechtvaardigt. De eerste twijfel van de verwijzende rechter heeft betrekking op de draagwijdte van het begrip misbruik, op de vraag of er een objectieve reden bestaat voor de tijdelijke aanwerving en op het begrip permanente behoefte. De tweede twijfel betreft de wijze waarop moet worden vastgesteld of er in het nationale recht sancties of beperkingen bestaan om het misbruik van tijdelijke aanwerving middels opeenvolging van tijdelijke overeenkomsten te voorkomen, en indien deze bestaan, of deze doeltreffend en evenredig zijn, of, indien zij niet bestaan, wat daarvan dan de gevolgen moeten zijn. De derde twijfel betreft de gevolgen van het ontbreken van maatregelen ter bestraffing van misbruik.


Prejudiciële vragen:

1. Is het verenigbaar met de raamovereenkomst in bijlage bij richtlijn 1999/70/EG wanneer deze aldus wordt uitgelegd dat de tijdelijke aanstelling van verzoeksters misbruik vormt aangezien de overheid als werkgever gebruikmaakt van verschillende aanstellingsvormen, die allemaal tijdelijk zijn, voor het permanent en duurzaam doen verrichten van de normale werkzaamheden van ambtenaren in vaste dienst, teneinde tegemoet te komen aan structurele tekorten en behoeften die in feite niet voorlopig, maar permanent en duurzaam zijn, en is daarom de beschreven tijdelijke aanstelling niet gerechtvaardigd in de zin van clausule 5, lid 1, onder a), van de raamovereenkomst, als objectieve reden, aangezien dergelijk gebruik van overeenkomsten van bepaalde tijd lijnrecht ingaat tegen de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst en de punten 6 en 8 van de algemene overwegingen ervan, op grond dat er zich geen omstandigheden voordoen die deze overeenkomsten voor bepaalde tijd zouden rechtvaardigen?

2. Is het verenigbaar met de raamovereenkomst in bijlage bij richtlijn 1999/70/EG wanneer deze aldus wordt uitgelegd dat de oproep voor conventionele selectietesten, met de beschreven kenmerken, geen gelijkwaardige maatregel is, noch kan worden beschouwd als een sanctie, aangezien hij niet evenredig is met het misbruik, dat als gevolg heeft dat de tijdelijke werknemer wordt ontslagen, waardoor de doelstellingen van de richtlijn worden geschonden en de ongunstige situatie van tijdelijke werknemers in overheidsdienst in stand wordt gehouden, noch als een doeltreffende maatregel, aangezien hij de werkgever geen nadeel toebrengt, geen afschrikkende functie heeft en derhalve niet in overeenstemming is met artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 1999/70, daar hij niet garandeert dat de Spaanse Staat de in de richtlijn bepaalde resultaten bereikt?

3. Is het verenigbaar met de raamovereenkomst in bijlage bij richtlijn 1999/70 en met het arrest van het Hof van 14 september 2016 in zaak C-16/15, wanneer deze aldus worden uitgelegd dat de oproep tot voor iedereen toegankelijke selectietesten geen passende maatregel is om het misbruik van opeenvolgende tijdelijke overeenkomsten te bestraffen, aangezien er in de Spaanse wetgeving geen doeltreffend en afschrikkend bestraffingsmechanisme bestaat dat een einde maakt aan het misbruik bij de aanstelling van tijdelijk personeel in overheidsdienst en die wetgeving niet toestaat in die structureel gecreëerde posten te voorzien met personeel dat het slachtoffer was van misbruik, zodat de onzekere situatie van die werknemers voortduurt?

4. Is de uitlegging verenigbaar volgens welke de omzetting van de arbeidsovereenkomst van de tijdelijke werknemer die slachtoffer was van misbruik, in een „niet-vaste aanstelling voor onbepaalde tijd” geen doeltreffende sanctie is – aangezien de aldus gekwalificeerde werknemer kan worden ontslagen doordat middels selectietesten in zijn functie wordt voorzien of doordat de functie wordt opgeheven – en derhalve niet in overeenstemming is met de raamovereenkomst ter voorkoming van het misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd, op grond dat artikel 2, eerste alinea[,] van richtlijn 1999/70 niet wordt nageleefd, gelet op het feit dat die omzetting niet garandeert dat de Spaanse Staat de in die richtlijn bepaalde resultaten bereikt?

Gelet op deze situatie dienen in de onderhavige zaak de volgende vragen te worden herhaald, die de Juzgado de lo Contencioso-Administrativo n.º 8 de Madrid (bestuursrechter nr. 8 Madrid, Spanje) heeft gesteld in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing van 30 januari 2018, in vereenvoudigde procedure 193/2017:

5. Moet clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG, wanneer de nationale rechter misbruik vaststelt door het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor interimpersoneel ten dienste van SERMAS (Servicio Madrileño de la Salud de la Comunidad de Madrid) voor de dekking van de permanente en structurele behoeften voor het leveren van diensten van ambtenaren in vaste dienst, en in de interne rechtsorde geen doeltreffende noch afschrikkende maatregelen bestaan om een dergelijk misbruik te bestraffen en de gevolgen van de schending van de regel van Unierecht teniet te doen, aldus worden uitgelegd dat zij de nationale rechter verplicht, doeltreffende en afschrikkende maatregelen vast te stellen die de nuttige werking van de raamovereenkomst waarborgen en derhalve dat misbruik te bestraffen en de gevolgen van de schending van de genoemde regel van Unierecht teniet te doen, waarbij de nationale regel die daaraan in de weg staat buiten toepassing moet worden gelaten?

Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 14 september 2016, zaken C 184/15 en C 197/15, punt 41:

Zou het stroken met de doelstellingen van richtlijn 1999/70/EG wanneer, als maatregel ter voorkoming en bestraffing van misbruik door gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en om de gevolgen van de schending van het Unierecht teniet te doen, de tijdelijke arbeidsovereenkomst op interim/oproep/vervangingsbasis werd omgezet in een arbeidsovereenkomst in vaste dienst van de overheid, hetzij onder de benaming van ambtenaar in vaste dienst, hetzij onder die van ambtenaar van onbepaalde tijd, met dezelfde vaste dienstbetrekking als bij vergelijkbare ambtenaren in vaste dienst en dit op grond van het feit dat het volgens de nationale regeling in de overheidssector absoluut verboden is opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd in die sector om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aangezien er geen andere doeltreffende maatregel bestaat om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en, in voorkomend geval, te bestraffen?

6. Kan, in geval van misbruik door gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en omzetting van de arbeidsovereenkomst in overheidsdienst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of in vaste dienst, ervan worden uitgegaan dat enkel aan de doelstellingen van richtlijn 1999/70/EG en de raamovereenkomst wordt voldaan wanneer de ambtenaar in tijdelijke dienst die het slachtoffer was van het misbruik, dezelfde arbeidsvoorwaarden geniet als ambtenaren in vaste dienst (op het gebied van sociale bescherming, loopbaanontwikkeling, bezetting van vacatures, beroepsopleiding, onbetaald verlof, administratieve situatie, vakantie en vrijstellingen, pensioenrechten, rechten bij beëindiging van het dienstverband en deelneming aan vergelijkende examens voor de bezetting van vacatures en ten behoeve van bevorderingen) met inachtneming van de beginselen van bestendigheid en onoverplaatsbaarheid en met alle eraan verbonden rechten en verplichtingen, op voet van gelijkheid met het personeel dat in vaste dienst van de overheid is?

7. Wanneer een tijdelijke aanwerving plaatsvindt om in permanente behoeften te voorzien zonder dat er daartoe een objectieve reden bestaat en zonder dat sprake is van spoedeisende en dringende noodzaak, terwijl doeltreffende sancties of beperkingen in het Spaanse nationale recht ontbreken, is het dan, wanneer de werkgever geen vaste dienstbetrekking aanbiedt, verenigbaar met de doelstellingen van richtlijn 1999/70/EG om ter voorkoming van misbruik en teneinde de gevolgen van de schending van het Unierecht te verhelpen een vergoeding vast te stellen die vergelijkbaar is met die voor onrechtmatig ontslag, en kan die vergoeding worden beschouwd als een passende, evenredige, doeltreffende en afschrikkende sanctie?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Adeneler e.a. C-212/04; Del Cerro Alonso C-307/05; Mascolo e.a. C-22/13, C-61/13–C-63/13 en C-418/13; Pérez López C-16/15; Martínez Andrés en Castrejana López C-184/15 en C-197/15; Santoro C-494/16.

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK; VWS