C-43/18 CFE

C-43/18 CFE

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    14 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 april 2018

Trefwoorden: habitatrichtlijn

Onderwerp:

-           Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn);
-           Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (hierna: SMB-richtlijn);

Feiten:

Verzoekster is sinds 1983 eigenaar van een terrein dat het grootste gedeelte van het Vorsterieplateau in Watermaal-Bosvoorde beslaat. Op 07.12.2004 heeft de Commissie bij beschikking 2004/813/EG op grond van de habitatrichtlijn de lijst vastgesteld van gebieden die van communautair belang zijn voor de Atlantische biogeografische regio. Het perceel dat eigendom is van verzoekster, is in deze lijst opgenomen. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen deze beschikking van de Commissie. Dit beroep is verworpen bij beschikking van 19.09.2006 van het Gerecht. Op 09.07.2015 heeft verweerder (de Brusselse Hoofdstedelijke Regering) het voorontwerp goedgekeurd van het besluit tot aanwijzing van het Natura 2000-gebied - BE1000001. Er werd een openbaar onderzoek uitgevoerd met betrekking tot dit voorontwerp van het besluit, wat resulteerde in 202 bezwaarschriften, waarvan één van verzoekster. Op 26.11.2015 heeft de Commissie besloten tot vaststelling van een negende bijgewerkte lijst van gebieden die van communautair belang zijn voor de Atlantische biogeografische regio (uitvoeringsbesluit EU 2015/2373) waarbij het oorspronkelijke besluit van 07.12.2004 en de eerdere besluiten tot vaststelling van bijgewerkte lijsten zijn ingetrokken. Op 14 april heeft de regering het besluit tot aanwijzing van het Natura 2000-gebied BE1000001, zijnde de litigieuze handeling, aangenomen. Verzoekster stelt dat de litigieuze handeling een plan of programma is en niet ‘direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied’ in de zin van artikel 6(3) van de habitatrichtlijn omdat de handeling voorafgaat aan dit beheer. Verweerder voert aan dat het zinloos is om een vraag voor te leggen aan het Hof, aangezien de litigieuze handeling een maatregel is die ‘direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied’ in de zin van artikel 6(3) van de habitatrichtlijn en dat het Hof in C-177/11 heeft geoordeeld dat de werkingssfeer van artikel 3(2)b van de SMB-richtlijn overeenkwam met die van artikel 6(3) van de habitatrichtlijn.

Overweging:

Verweerder erkent dat hij geen milieueffectenbeoordeling heeft uitgevoerd en dat hij zich niet heeft uitgesproken over de mogelijkheid van aanzienlijke milieueffecten, omdat hier volgens hem geen reden toe was. Partijen zijn het erover eens dat noch de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, noch de habitatrichtlijn een voorafgaande milieueffectenbeoordeling verplicht stelt voor besluiten tot aanwijzing van Natura 2000-gebieden. Het middel werpt de vraag op of een dergelijk besluit desalniettemin aan deze beoordeling is onderworpen, of in ieder geval aan een beoordeling van de mogelijkheid van aanzienlijke milieueffecten uit hoofde van de bepalingen van de SMB-richtlijn en van de wetgeving waarin deze richtlijn is omgezet. Derhalve moet worden vastgesteld of een dergelijk besluit binnen de werkingssfeer valt van de SMB-richtlijn en van de wetgeving waarin deze richtlijn is omgezet en, indien dit het geval is, moet worden besloten of het juridisch kader waarbinnen de habitatrichtlijn valt wel of niet tot gevolg heeft dat de verplichting van een voorafgaande milieueffectenbeoordeling niet wordt opgelegd.

Prejudiciële vragen:

1. Is een besluit waarbij een orgaan van een lidstaat een speciale beschermingszone aanwijst overeenkomstig richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna en dat instandhoudingsdoelstellingen en algemene preventieve maatregelen van regelgevende aard bevat, een plan of programma in de zin van richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s?

2. Is, meer in het bijzonder, een dergelijk besluit onderworpen aan artikel 3, lid 4, [van richtlijn 2001/42] als zijnde een plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, waaruit volgt dat de lidstaten overeenkomstig lid 5 moeten bepalen of het aanzienlijke milieueffecten kan hebben?

3. Moet artikel 3, lid 2, onder b), van richtlijn [2001/42] betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde [plannen en programma’s] aldus worden uitgelegd dat een dergelijk aanwijzingsbesluit niet valt onder artikel 3, lid 4, van deze richtlijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: CFE/Commissie T-110/05; Syllogos Ellinon Poleodomon kai Chorotaktona C-177/11 ;

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK