C-433/18 Aktiva Finants

C-433/18 Aktiva Finants

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    05 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    22 oktober 2018

Trefwoorden: bevoegdheid;

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;



Feiten:

Verweerder (Estse onderneming Aktiva Finants) heeft de Finse rechter in eerste aanleg verzocht de beslissing van de Estse rechter in eerste aanleg van 07.12.2009 uitvoerbaar te verklaren in Finland. De woonplaats van verzoeker (ML), tegen wie tenuitvoerlegging is gevraagd, is Helsinki.  De Finse rechter in eerste aanleg heeft uit hoofde van verordening 44/2001 de beslissing van de Estse rechtbank uitvoerbaar verklaard in Finland. De Finse rechter in eerste aanleg heeft verzoeker niet gehoord over het verzoek. Bij de uitvoerbaar verklaarde beslissing is verzoeker veroordeeld tot betaling van 14.838,50 EEK aan verweerder. Na kennis te hebben genomen van het vonnis stelde verzoeker hoger beroep in bij de Helsingin hovioikeus en vorderde hij dat de beslissing van de Finse rechter in eerste aanleg in haar geheel zou worden vernietigd. Verzoeker heeft in hoger beroep aangevoerd dat de Estse beslissing was gegeven,

zonder dat hij zelf aanwezig was bij het proces. Hij had geen enkel stuk ontvangen. Hij kreeg pas kennis van het hele proces door de hem ter kennis gebrachte beslissing van de rechter in eerste aanleg betreffende de verklaring van uitvoerbaarheid. Verzoeker heeft aangevoerd dat de Estse rechtbank niet bevoegd was om kennis te nemen van de zaak, omdat hij sinds 26.11.2007 zijn woonplaats in Finland had. De Hovioikeus verleende aan verzoeker geen toestemming tot voortzetting van het proces, zodat de behandeling van het hoger beroep beëindigd is. De beslissing van rechter in eerste aanleg blijft daardoor van kracht, tenzij de beslissing van de hovioikeus over toestemming tot voortzetting van het proces in het kader van een rechtsmiddel wordt gewijzigd. In zijn cassatieberoep bij de verwijzende rechter heeft verzoeker gevorderd dat de beslissing van de hovioikeus wordt vernietigd, dat hem toestemming tot voortzetting van het proces wordt verleend en dat de zaak wordt terugverwezen naar de hovioikeus voor de behandeling van het hoger beroep.



Overweging:

De verwijzende rechter dient uit te maken of de nationale bepalingen betreffende toestemming tot voortzetting van het proces kunnen worden toegepast als het gaat om hoger beroep tegen een beslissing betreffende de verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing uit hoofde van verordening 44/2001. Voorts moet de verwijzende rechter beoordelen of de  procedure verenigbaar is met verordening 44/2001, meer bepaald met de in artikel 43(3) van deze verordening bedoelde regels van de procedure op tegenspraak. Wanneer de procedure van toestemming tot voortzetting van het proces verenigbaar is met de verordening, staat het aan de verwijzende rechter als nationale rechterlijke instantie om uiteindelijk te beoordelen of in het onderhavige geval toestemming tot voortzetting van het proces had moeten worden verleend. Volgens de verwijzende rechter zijn de vragen ook relevant in gevallen waarin, in plaats van verordening 44/2001, de in 2015 in werking getreden verordening (EU) 1215/2012 (Brussel I-verordening), verordening (EG) 2201/2003 (Brussel IIbis-verordening) of verordening (EU) 650/2012 inzake erfopvolging van toepassing is.



Prejudiciële vragen:

1. Is de in het nationale systeem van rechtsmiddelen opgenomen procedure van toestemming tot voortzetting van het proces in overeenstemming met de in artikel 43, lid 1, van verordening nr. 44/2001

aan beide partijen gewaarborgde doeltreffende rechtsmiddelen, wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de rechter in eerste aanleg die betrekking heeft op de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing in de zin van verordening nr. 44/2001?

2. Wordt bij de procedure van toestemming tot voortzetting van het proces aan het vereiste van een procedure op tegenspraak in de zin van artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 voldaan, wanneer de verwerende partij niet wordt gehoord vóór de beslissing over toestemming? Is hieraan voldaan wanneer de wederpartij wordt gehoord vóór de beslissing over toestemming tot voortzetting van het proces?

3. Is het voor bovenvermelde interpretaties van belang dat de partij die een rechtsmiddel heeft ingesteld, niet alleen de partij kan zijn die om tenuitvoerlegging verzoekt en wiens verzoek is verworpen, maar ook de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, indien het verzoek is ingewilligd?



Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV