C-446/18 AGROBET CZ

C-446/18 AGROBET CZ

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    15 oktober 2018

Trefwoorden: btw; neutraliteit

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);


Feiten:

Begin 2016 heeft de vennootschap AGROBET CZ (hierna: verzoekster) btw-aangiftes ingediend voor de belastingtijdvakken december 2015 en januari 2016, waarin zij btw-overschottem heeft aangegeven. De belastingdienst (hierna: verweerder) heeft naar aanleiding van deze btw-aangiftes een btw-controle gestart om vast te stellen of terecht aanspraak op teruggave van btw werd gemaakt dat betrekking had op grondstoffenhandel in koolzaadolie. Verzoekster heeft tegen de twee belastingcontroles bezwaar gemaakt, en stelde dat haar btw-overschot werd ingehouden ondanks het feit dat de belastingdienst slechts een geringer gedeelte van het gevorderde btw-overschot in twijfel trok en dit onevenredig bezwarend was voor verzoekster. Verweerder vond niet dat de bezwaren gegrond waren omdat hij niet alleen de aankopen maar eveneens de verkopen van ruwe koolzaadolie had gecontroleerd en omdat naar aanleiding van de procedure van informatie-opvraging bij het belastingtijdvak oktober 2015 bij verweerder bedenkingen ontstonden over de aangegeven handelstransacties. Gelet op die bedenkingen en het feit dat belastingcontroles waren gestart, was het uitgesloten om voor die belastingtijdvakken een btw-aanslag op te leggen. De fiscale beroepsinstantie heeft verzoeksters verzoek - om haar bezwaren aan een onderzoek te onderwerpen - ongegrond verklaard op grond dat het belastingwetboek niet voorziet in de mogelijkheid om een aanslag voor een gedeelte op te leggen en dat btw steeds betrekking heeft op een belastingtijdvak in zijn geheel. In november 2016 heeft verzoekster de fiscale beroepsinstantie verzocht om maatregelen teneinde haar te beschermen tegen stilzitten. De fiscale beroepsinstantie heeft dat verzoek afgewezen: zij herhaalde dat ingeval belastingverplichtingen aanleiding geven tot een btw-overschot, dat overschot betrekking heeft op het belastingtijdvak in zijn geheel en niet enkel en alleen op het gedeelte van de btw over de aangegeven belastbare handelingen.


Overweging:

Wanneer zich een situatie voordoet waarin een belastingplichtige wordt geconfronteerd met bedenkingen vanwege de belastingdienst, heeft deze belastingplichtige er alle belang bij dat bedenkingen die slaan op een bepaalde belastbare handeling waarvoor aanspraak op btw-aftrek wordt gemaakt, zo snel mogelijk uit de weg worden geruimd. Tegelijkertijd kan redelijkerwijs niet van de belastingdienst worden verwacht dat hij de belastingplichtige al vertragingsrente betaalt vanaf het moment van de informatieopvraging. De inhouding van een btw-overschot gedurende een redelijke periode kan worden gerechtvaardigd zonder dat vertragingsrente daarvoor verschuldigd is. Btw-neutraliteit kan dus worden ingeperkt. In dit verband moet een evenwicht worden gevonden tussen het belang van de staat om een juiste belastingheffing te verzekeren en het belang van de belastingplichtige om de toepasselijke aftrek van voorbelasting te verkrijgen. De verwijzende rechter gaat daarom over tot het stellen van de prejudiciële vraag.


Prejudiciële vraag:

Verzet het Unierecht, inzonderheid het beginsel van neutraliteit van de btw, zich tegen een maatregel van een lidstaat volgens welke een aanslag pas kan worden opgelegd en een gedeelte van de btw-aftrek waarop aanspraak wordt gemaakt, pas wordt betaald nadat een procedure met betrekking tot het geheel van de belastbare handelingen in een bepaald belastingtijdvak is afgesloten?



Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Enel Maritsa Iztok C-107/10; Molenheide e.a. C-286/94; Commissie / Italië C-78/00; Profaktor Kulesza, Frankowski, Jóžwiak, Orłowski C-188/09; Barlis 06 C-516/14.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal