C-450/18 Instituto Nacional de la Seguridad Social

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     17 november 2018

Trefwoorden: sociale zekerheid; gelijke behandeling; recht op pensioentoeslag

Onderwerp:

-           Artikel 157 VWEU;

-           Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (gewijzigd bij richtlijn 2002/73/EG van 23 september 2002);

-           Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking);

-           Artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

-           Artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Feiten:

Verzoeker ‘WA’ heeft tegen het Spaans nationaal instituut voor sociale zekerheid (het instituut voor sociale zekerheid) een vordering ingesteld tot erkenning van het recht op een verhoging van zijn pensioen met 5% van de berekeningsgrondslag van de uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, op grond van de gelijkwaardigheid van deze uitkering met de moederschapstoeslag die wordt toegekend ingevolge artikel 60, lid 1, van de algemene wet op de sociale zekerheid. Verzoeker voert aan dat het instituut voor sociale zekerheid hem een pensioen wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van 100% van het basisbedrag plus indexeringen heeft toegekend. Hij betoogt dat hij, als vader van twee dochters, recht heeft op een toeslag van 5% van het pensioen onder dezelfde voorwaarden als vrouwen, die wegens het feit dat ze moeder van twee of meer kinderen zijn en een op premie- of bijdragebetaling berustende socialezekerheidsuitkering ontvangen, rechten hebben op een dergelijke toeslag op grond van artikel 60, lid 1 van de algemene wet op de sociale zekerheid. Het instituut voor sociale zekerheid betoogt in zijn besluit dat de moederschapstoeslag een toeslag is die uitsluitend is voorbehouden aan vrouwen die een op premie- of bijdragebetaling berustende socialezekerheidsuitkering ontvangen en twee of meer kinderen hebben, vanwege hun demografische bijdrage aan de sociale zekerheid.


Overweging:

Volgens de verwijzende rechter zou vanuit genetisch oogpunt en vanuit het oogpunt van adoptie de demografische bijdrage toerekenbaar zijn aan zowel vrouwen als mannen, daar zowel de voortplanting als de verantwoordelijkheid voor de verzorging van de kinderen kan rusten op elke persoon die de hoedanigheid van vader of moeder kan hebben. Bovendien kan de afwezigheid van het werk ten gevolge van de geboorte of adoptie van kinderen of de zorg voor natuurlijke of geadopteerde kinderen mannen en vrouwen gelijkelijk schaden, ongeacht hun demografische bijdrage aan de sociale zekerheid. De rechter vervolgt zijn redenering dan met het in ogenschouw nemen van het biologische perspectief. Hier bestaat er volgens de verwijzende rechter een onmiskenbaar differentiërend feit, aangezien vrouwen bij de voortplanting een veel groter offer brengen dan mannen. De rechter stelt vast dat vanuit biologisch oogpunt de moederschapstoeslag een gerechtvaardigde aanvullende uitkering ten gunste van vrouwen vormt, aangezien geen enkele man zich in een gelijkwaardige situatie kan bevinden en de situatie van een mannelijk werknemer niet vergelijkbaar is met die van een vrouwelijke werknemer. Derhalve zou de regeling gerechtvaardigd zijn als norm waarmee wordt beoogd vrouwen te beschermen tegen de gevolgen van zwangerschap en moederschap. Artikel 2(3) van de richtlijn beoogt de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw, en van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling, door te voorkomen dat deze relatie wordt verstoord door de cumulatie van lasten als gevolg van een gelijktijdige beroepsuitoefening. Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat een na het verstrijken van de wettelijke beschermingstermijn aan de vrouw verleend zwangerschapsverlof binnen de werkingssfeer van artikel 2(3) van richtlijn 76/207 valt, maar het heeft eveneens gepreciseerd dat maatregelen met het oog op de bescherming van vrouwen in hun hoedanigheid van ouder hun rechtvaardiging niet kunnen vinden in dit artikel van de richtlijn. In het kader van de hiervoor genoemde overwegingen, is de verwijzende rechter van oordeel dat voor de uitspraak in de aanhangige procedure een antwoord dient te worden verkregen over de uitlegging van gemeenschapsrechtelijke bepalingen.


Prejudiciële vragen:

Vormt een nationale wettelijke regeling (in concreto artikel 60, lid 1, van de Ley General de Seguridad Social; algemene wet betreffende de sociale zekerheid) die het recht op een pensioentoeslag toekent aan vrouwen die biologische of geadopteerde kinderen hebben en begunstigden zijn van enige op premie- of bijdragebetaling berustende regeling van het socialezekerheidsstelsel uit hoofde van pensionering, weduwschap of duurzame arbeidsongeschiktheid, vanwege hun demografische bijdrage aan de sociale zekerheid, terwijl dit recht niet wordt toegekend aan mannen die zich in een identieke situatie bevinden, een schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat elke discriminatie op grond van geslacht verbiedt en is neergelegd in artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en in richtlijn 2002/73, die voornoemde richtlijn wijzigt, zoals herschikt bij richtlijn 2006/54/EG van de Raad van 9 februari 1976?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-366/99 Griesmar; Hofmann 184/83; Johnston 222/84; Commissie/Frankrijk 312/86; Kreil C-285/98.

Specifiek beleidsterrein: SZW

  AR 17-09-2018
 

Gerelateerde documenten