C-452/18 Ibercaja Banco

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 november 2018

Trefwoorden: oneerlijke bedingen; consumentenovereenkomsten

Onderwerp:

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;


Feiten:

Verzoekster (XZ) heeft bij de verwijzende rechter een vordering tot nietigverklaring ingesteld wegens oneerlijkheid van een beding tot beperking van de variabiliteit van de rente, dat is opgenomen in een notariële koopakte met subrogatie van een hypothecaire lening die oorspronkelijk aan de projectontwikkelaar was verleend door verweerder (kredietinstelling Ibercaja Banco). Op 23.12.2011 ondertekende deze projectontwikkelaar met verzoekster een koopovereenkomst, met subrogatie van de bestaande hypotheek, op grond waarvan de beschreven onroerende zaak was bezwaard ten gunste van Ibercaja Banco. Op 04.03.2014 ondertekende de bankinstelling met XZ een overeenkomst houdende vernieuwing en wijziging van de lening, waarbij beide partijen zich er uitdrukkelijk en wederzijds toe verbonden om geen enkele rechtsvordering tegen de andere partij in te stellen die zou kunnen voortvloeien uit de sluiting van de overeenkomst. Voorts gaven de partijen te kennen dat dit document een vernieuwing vormde (novatieovereenkomst). Tot slot heeft verzoekster schriftelijk verklaard dat zij zich ervan bewust was en begreep dat het jaarlijkse nominale rentetarief van haar lening nooit lager dan 2,35% zou zijn. Verzoekster XZ eist teruggave van de uit hoofde van het litigieuze beding te veel betaalde bedragen. Verweerster (Ibercaja Banco) verzet zich tegen deze vordering met het argument dat de cliënt van tevoren op afdoende wijze was ingelicht om gedetailleerde kennis te hebben van de overeenkomst en de litigieuze bepaling. Bovendien, voert zij aan, bestond er een novatieovereenkomst van 04.03.2014. Zij verzet zich ook tegen teruggave van de bedragen die zij vanaf de datum van sluiting van de hypothecaire lening uit hoofde van het bedoelde beding heeft ontvangen.


Overweging:

Op 15.05.2018 diende XZ bij de verwijzende rechter een verzoekschrift in met het voorstel om het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen inzake de novatieovereenkomst van de lening van 04.03.2014, om te vernemen of het beginsel van nietverbindendheid van nietige bepalingen zich tevens moet uitstrekken tot overeenkomsten en rechtshandelingen die dateren van na de sluiting van die bedingen, zoals de novatieovereenkomst. De verwijzende rechter stelt verschillende prejudiciële vragen over de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.


Prejudiciële vragen:

1. Moet het beginsel van niet-verbindendheid van nietige bepalingen (artikel 6 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993) zich ook uitstrekken tot latere overeenkomsten en rechtshandelingen met betrekking tot die bepalingen, zoals de novatieovereenkomst? Kan, aangezien de absolute nietigheid impliceert dat het betreffende beding nooit heeft bestaan in het juridisch-economische leven van de overeenkomst, worden geconcludeerd dat latere rechtshandelingen en de rechtsgevolgen daarvan met betrekking tot dat beding, dus de novatieovereenkomst, eveneens uit de juridische werkelijkheid verdwijnen en derhalve moeten worden geacht niet te bestaan en geen effect te sorteren?

2. Kan bij documenten die strekken tot de wijziging van of de sluiting van een transactie met betrekking tot bedingen waarover niet is onderhandeld en die de oneerlijkheids- en transparantietoets mogelijk niet met goed gevolg zullen doorstaan, sprake zijn van algemene voorwaarden in overeenkomsten voor de doeleinden van artikel 3 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993, zodat dezelfde nietigheidsgronden gelden als die welke van toepassing zijn op de oorspronkelijke documenten die het voorwerp uitmaken van novatie of een transactie?

3. Moet de afstand van rechtsvorderingen, zoals vervat in de novatieovereenkomst, eveneens nietig zijn, voor zover de cliënten in de door hen ondertekende overeenkomsten niet zijn geïnformeerd over de nietigheid van een beding, noch over het bedrag of de geldelijke waarde van hun aanspraak op teruggave van de rente die was betaald uit hoofde van de initiële oplegging van het ,bodembeding’? Met deze afstand verbindt de cliënt zich ertoe om af te zien van het instellen van een vordering, zonder door de bank te zijn geïnformeerd waarvan en van welk geldbedrag hij of zij afziet.

4. Wanneer de novatieovereenkomst wordt onderzocht in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie en artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 2, van richtlijn [93/13], lijdt het nieuwe bodembeding dan opnieuw aan een gebrek aan transparantie, aangezien de bank de in het [arrest van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje)] van 9 mei 2013 vastgestelde transparantiecriteria opnieuw niet heeft nageleefd en de cliënt niet heeft geïnformeerd over de daadwerkelijke financiële kosten van het bedoelde beding in haar hypothecaire leningsovereenkomst, waardoor de cliënt had kunnen kennisnemen van het rentetarief (en de daaruit voortvloeiende rentebedragen) die hij zou moeten betalen bij toepassing van het nieuwe bodembeding en van het rentetarief (en de daaruit voortvloeiende rentebedragen) die hij zou moeten betalen indien er geen bodembeding zou gelden en het in de hypothecaire leningsovereenkomst overeengekomen rentetarief zou worden toegepast, zonder neerwaartse begrenzing? Met andere woorden, had de financiële instelling, toen zij de zogenoemde novatieovereenkomst met een ,bodembeding’ oplegde, moeten voldoen aan de transparantiecriteria van artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 2, van richtlijn [93/13] en de cliënt moeten informeren over het financiële nadeel dat hij zou lijden als gevolg van de toepassing van het ,bodembeding’, alsook over het rentetarief dat van toepassing zou zijn zonder het bestaan van een dergelijk beding, en moet dit document, omdat de financiële instelling dit niet heeft gedaan, eveneens nietig worden verklaard?

5. Kunnen de bepalingen inzake rechtsvorderingen in de algemene voorwaarden van de novatieovereenkomst, gelet op de inhoud ervan, worden beschouwd als een oneerlijk beding overeenkomstig artikel 3, lid 1, [van richtlijn 93/13], in samenhang met de bijlage met oneerlijke  bedingen, en in concreto met punt q) van deze bijlage (bedingen die beogen het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren zijn oneerlijke bedingen), gelet op het feit dat deze bedingen het recht van consumenten beperken om rechten uit te oefenen die kunnen ontstaan of aan de dag kunnen treden na de ondertekening van de overeenkomst, zoals dat is gebeurd in verband met de mogelijkheid om de volledige teruggave van de betaalde rentebedragen te vorderen (ingevolge het arrest van de Hof van Justitie van 21 december 2016)?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Mostaza Claro C-168/05; Cofidis C-473/00; Pannon GSM C-243/08; Asturcom C-40/08; Banesto tegen Joaquín Calderón C-618/10; Océano Grupo Editorial, S.A. tegen Martina e.a. C-240/98, C-241/98,C-242/98, C-243/98 en C-244/98; Banif Plus Bank C-472/11; Mohamed Aziz, C-415/11; Dirk Frederik Asbeek Bruse/Jahani BV C-488/11.

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten