C-454/18 Baltic Cable

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    18 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    04 november 2018

Trefwoorden: elektriciteit; interne markt;

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1228/2003 (hierna: elektriciteitsverordening);

-           Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (hierna: richtlijn);

-           Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer;


Feiten:

Bij besluit van 09.07.2016 overeenkomstig artikel 16(6) van de elektriciteitsverordening heeft verweerder (de nationale inspectiedienst voor de energiemarkt, hierna: Ei) Baltic Cable AB (hierna: BCAB) verzocht de van 01.07.2013 t/m 30.06.2015 verkregen ontvangsten uit de toewijzing van koppelingscapaciteit (ontvangsten uit congestie) op een aparte interne rekening te zetten totdat zij door BCAB kon worden gebruikt voor (a) het garanderen dat de toegewezen capaciteit daadwerkelijk beschikbaar is, en/of (b) de koppelingscapaciteit handhaven of vergroten door investeringen in het net, met name in nieuwe interconnectoren. BCAB werd ook verzocht om aan te tonen dat de betreffende ontvangsten inderdaad op een aparte interne rekening waren gezet. Het bevel hield een dwangsom van 5 miljoen SEK in voor elke maand waarin geen gehoor wordt gegeven aan het bevel. BCAB vordert nietigverklaring van het besluit, en subsidiair om om opschorting van de tenuitvoerlegging ervan. Ei betwist het beroep maar heeft geen bezwaar tegen een aanpassing van de uiterste termijn in het bevel. Bij besluit van 02.11.2017 heeft Ei het verzoek van BCAB om haar ontvangsten uit congestie te mogen aanwenden als inkomsten die door Ei in aanmerking moeten worden genomen bij de goedkeuring van de methode voor de berekening van de nettarieven, en/of de vaststelling van de nettarieven afgewezen. BCAB stelt dat zij de ontvangsten uit congestie mag gebruiken overeenkomstig het verzoek dat zij op 21.09.2017 bij Ei heeft ingediend.


Overweging:

Deze zaak heeft betrekking op de richtlijn, de elektriciteitsverordening en Unierechtelijke beginselen. De verwijzende rechter is van oordeel dat de bewoordingen van artikel 16(6) van de elektriciteitsverordening, niet ervoor zorgen dat deze bepaling alleen van toepassing is op transmissiesysteembeheerders. Indien artikel 16(6) van de elektriciteitsverordening enkel van toepassing is op transmissiesysteembeheerders, rijst de vraag of een onderneming die louter een interconnector exploiteert en niet verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het transmissiesysteem in een bepaald gebied een transmissiesysteembeheerder kan zijn. Het is twijfelachtig of artikel 16(6) van de elektriciteitsverordening in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wanneer deze bepaling wordt toegepast op een onderneming die louter een interconnector exploiteert. De geldigheid van een door een EU-instelling vastgestelde handeling kan enkel door het Hof worden onderzocht. De verwijzende rechter legt daarom de prejudiciële vragen voor aan het Hofs.


Prejudiciële vragen:

1. Is artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening van toepassing in alle gevallen waarin een persoon inkomsten uit de toewijzing van koppelingscapaciteit verwerft, ongeacht de omstandigheden waarin hij zich bevindt, of is deze bepaling alleen van toepassing wanneer de ontvanger van de inkomsten een transmissiesysteembeheerder is zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 4, van de richtlijn betreffende de interne markt voor elektriciteit?

2. Indien het antwoord op vraag 1 luidt dat artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening enkel van toepassing is op transmissiesysteembeheerders, is een onderneming die louter een interconnector exploiteert dan een transmissiesysteembeheerder?

3. Indien het antwoord op vraag 1 of 2 betekent dat artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening van toepassing is op een onderneming die louter een interconnector exploiteert, kunnen de kosten met betrekking tot de exploitatie en het onderhoud van een interconnector dan in ieder geval worden beschouwd als investeringen in het netwerk om transmissiecapaciteit te handhaven of te vergroten, zoals bedoeld in artikel 16, lid 6, eerste alinea, onder b)?

4. Indien het antwoord op vraag 1 of 2 betekent dat artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening van toepassing is op een onderneming die louter een interconnector exploiteert, kan de regulerende instantie dan uit hoofde van de tweede alinea van artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening goedkeuren dat een onderneming die louter een interconnector exploiteert en een methode heeft om tarieven vast te stellen maar geen klanten heeft die rechtstreekse betalingen verrichten voor netwerkkosten (nettarieven) die kunnen worden verminderd, ontvangsten uit de toewijzing van koppelingscapaciteit gebruikt om winst te maken of, indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, voor exploitatie en onderhoud?

5. Indien het antwoord op vraag 1 of 2 betekent dat artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening van toepassing is op een onderneming die louter een interconnector exploiteert, en het antwoord op vragen 3 en 4 betekent dat de onderneming ontvangsten uit de toewijzing van koppelingscapaciteit niet mag gebruiken voor exploitatie of onderhoud of om winst te maken, dan wel dat de onderneming de ontvangsten mag gebruiken voor exploitatie en onderhoud, maar niet om winst te maken, is de toepassing van artikel 16, lid 6, van de elektriciteitsverordening op een onderneming die louter een interconnector exploiteert dan strijdig met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel of een ander toepasselijk beginsel?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten