C-477/18 en C-478/18 Exportslachterij

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    02 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    18 november 2018

Trefwoorden: levensmiddelen; controles;

Onderwerp:

-           Verordening nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

-           Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong;


Feiten:

Appellanten exploiteren slachthuizen waar varkensvlees en rundvlees worden verwerkt en in de handel wordt gebracht. Er worden officiële controles uitgevoerd – in de zin van artikelen 4 en 5 van verordening 854/2004 - bij onder meer de antemortem- en de postmortemkeuring. De controles worden verricht door officiële dierenartsen en practitioners die werkzaam zijn bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en door officiële assistenten in dienst van de besloten vennootschap Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS). Ter dekking van de kosten van de keuringswerkzaamheden int verweerder vergoedingen bij slachterijen op grond van artikel 27 en bijlage VI van verordening 882/2004, alsmede op grond van de Regeling NVWA-tarieven. Het proces gaat als volgt: het slachthuis dient bij de NVWA een aanvraag voor de te verrichten keuringswerkzaamheden en vermeldt hierbij het aantal officiële dierenartsen en officiële assistenten dat moet worden ingezet en ook de hoeveel tijd (in kwartieren). Nadat de keuringswerkzaamheden zijn verricht, brengt verweerder bij het slachthuis de hiervoor verschuldigde bedragen in rekening. Het slachthuis dient voor iedere officiële dierenarts en officiële assistent die keuringswerkzaamheden heeft verricht een starttarief te betalen alsmede een tarief voor ieder kwartier dat een officiële dierenarts en officiële assistent aan de keuringswerkzaamheden heeft besteed. Meer gewerkte kwartieren moeten ook worden betaald. Minder gewerkte kwartieren betekent echter niet dat er minder wordt betaald, integendeel: het aantal aangevraagde (niet-gewerkte) kwartieren moet volledig worden betaald.


Overweging:

Appellante voert aan dat de elementen die in aanmerking mogen worden genomen bij de berekening van de tarieven voor de keuringswerkzaamheden exhaustief worden vermeld in bijlage VI bij verordening 882/2004. Dit betekent dat uitsluitend de salarissen en de kosten van degenen die daadwerkelijk betrokken zijn bij de uitvoering van de officiële controles in aanmerking mogen worden genomen bij de samenstelling van die tarieven. De door verweerder gehanteerde tarieven bevatten echter ook kostenelementen die niet zien op de salarissen en de kosten van degenen die daadwerkelijk betrokken zijn bij de uitvoering van keuringswerkzaamheden. Die kostenelementen mogen daarom niet bij appellante in rekening worden gebracht. Appellante heeft daarnaast betoogd dat in de situatie dat de keuringswerkzaamheden minder kwartieren in beslag nemen dan vooraf is aangevraagd de tarieven voor deze wel aangevraagde maar niet gewerkte kwartieren, anders dan door verweerder wordt gedaan, niet in rekening mogen worden gebracht, omdat daarmee kosten in rekening worden gebracht voor niet daadwerkelijk verrichte keuringswerkzaamheden. Er bestaat nog twijfel over deze punten waardoor de verwijzende rechter overgaat tot het stellen van de prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen C-477/18 en C-478/18:

1. Dienen de zinsneden "het personeel dat betrokken is bij de officiële controles" in punt 1 van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (Verordening nr. 882/2004) en "het personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de officiële controles" in punt 2 van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004 aldus te worden uitgelegd, dat de (salaris)kosten die in aanmerking mogen worden genomen bij de berekening van de vergoedingen voor officiële controles, uitsluitend (salaris)kosten mogen zijn van officiële dierenartsen en officiële assistenten die de officiële keuringen verrichten, of kunnen daaronder ook (salaris)kosten van ander personeel in dienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of

de besloten vennootschap Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) worden geschaard?

2. Als het antwoord op vraag 1 luidt dat onder de zinsneden "het personeel dat betrokken is bij de officiële controles" in punt 1 van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004 en "het personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de officiële controles" in punt 2 van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004 ook (salaris)kosten van ander personeel in dienst van de NVW A of KDS kunnen worden geschaard, onder welke omstandigheden en binnen welke grenzen is dan nog sprake van een zodanige relatie tussen de gemaakte kosten voor dit andere personeel en de officiële controles dat de vergoeding van die (salaris)kosten kan worden gebaseerd op artikel 27, vierde lid, en bijlage VI, punten 1 en 2 van Verordening nr. 882/2004?

3a. Dient het bepaalde in artikel 27, vierde lid, aanhef en onder a, en bijlage VI, punten 1 en 2 van Verordening nr. 882/2004 aldus te worden uitgelegd, dat artikel 27, vierde lid, en bijlage VI, punten 1 en 2 voornoemd eraan in de weg staan dat bij slachthuizen vergoedingen voor officiële controles in rekening worden gebracht voor door die slachthuizen bij de bevoegde autoriteit aangevraagde maar niet feitelijk gewerkte kwartieren ten behoeve van officiële controles?


Vervolg prejudiciële vragen C-477/18:

3b. Geldt het antwoord op vraag 3a ook in geval van door de bevoegde autoriteit ingeleende officiële dierenartsen die geen salaris ontvangen voor kwartieren die het slachthuis wel bij de bevoegde autoriteit heeft aangevraagd maar waarin feitelijk geen werkzaamheden ten behoeve van officiële controles worden verricht, terwijl het over het aangevraagde maar niet gewerkte aantal kwartieren aan het slachthuis in rekening gebrachte bedrag ten goede komt aan algemene kosten van overhead van de bevoegde autoriteit?

4. Dient het bepaalde in artikel 27, vierde lid, aanhef en onder a, en bijlage VI, punten 1 en 2 van Verordening nr. 882/2004 aldus te worden uitgelegd, dat genoemd artikel 27, vierde lid, er aan in de weg staat dat bij slachthuizen een gemiddeld tarief in rekening wordt gebracht voor de werkzaamheden ten behoeve van officiële controles door dierenartsen in dienst van de NVW A en door (lager gesalarieerde) ingeleende dierenartsen, zodat aan slachthuizen een hoger tarief in rekening wordt gebracht dan aan de ingeleende dierenartsen wordt uitbetaald?

5. Dient het bepaalde in artikel 26 en in artikel 27, vierde lid, aanhef en onder a, en bijlage VI, punten 1 en 2 van Verordening nr. 882/2004 aldus te worden uitgelegd dat bij de berekening van de vergoedingen voor officiële controles kosten in aanmerking kunnen worden genomen voor de opbouw van een weerstandsvermogen ten behoeve van een besloten vennootschap (KDS) waarvan door de bevoegde autoriteit officiële assistenten worden ingeleend, welk weerstandsvermogen bij een crisis kan worden aangewend voor de betaling van salaris en opleidingskosten voor personeel dat de officiële controles feitelijk uitvoert alsmede voor personeel dat de uitvoering van officiële controles mogelijk maakt?

6. Indien het antwoord op de onder 4 geformuleerde vraag bevestigend luidt: tot welk bedrag mag een dergelijk weerstandsvermogen worden opgebouwd en hoe lang mag de periode zijn die door dat weerstandsvermogen wordt afgedekt?



Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kedbranchens Feellesräd C-112/15;

Specifiek beleidsterrein: LNV