C-479/18 UNIQA Österreich Versicherungen e.a.

C-479/18 UNIQA Österreich Versicherungen e.a.

Prejudiciële zaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    28 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    14 november 2018

Trefwoorden: levensverzekering; diensten; consumentenrecht; 

Onderwerp:

-           Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

-           Tweede Richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 79/267/EEG;

-           Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensrichtlijn);

-           Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering;

-           Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);


Feiten:

Ten behoeve van de prejudiciële procedure werden de zaken voor de handelsrechter in eerste aanleg (zaken A, B, C, en D) gevoegd. In deze vier zaken sloten verzoekende partijen een levensverzekeringsovereenkomst met de respectievelijke verwerende partijen op verschillende momenten. In zaak A vond de aanvraag plaats op 1 augustus 1997 en werd de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst vermeld als twee weken na ontvangst van de polissen, mits de opzegging schriftelijk plaatsvindt. In zaak B werd de levensverzekeringsovereenkomst gesloten zonder dat de verwerende partij de verzoekende partij op de hoogte stelde van haar recht tot opzegging. In zaak C werd de levensverzekering aangevraagd door middel van een aanvraagformulier waarin het recht van opzegging binnen 30 dagen na het sluiten van de overeenkomst was opgenomen. Een “voorstel” van verzekeringsovereenkomst opgesteld door verwerende partij wees de verzoekende partij er op dat opzegging schriftelijk moest geschieden. Tevens werd verzoekende partij in kennis gesteld dat zij ook over een recht van opzegging beschikte vanwege het verstrekken van onjuiste informatie. In zaak D werd de levensverzekeringsovereenkomst gesloten waarbij het aanvraagformulier het recht tot opzegging binnen 30 dagen na overeenkomst vermeldde. Het “voorstel” van verzekeringsovereenkomst opgemaakt door de verwerende partij wees erop dat de verzoekende partij het recht had om de overeenkomst schriftelijk op te zeggen. In alle bovengenoemde zaken zegden verzoekende partijen de levensverzekeringsovereenkomst op. Deze werden met uitzondering van zaak B niet aanvaard, waarop verzoekende partijen de terugbetaling van alle door hen betaalde premies zonder risicokosten vermeerderd met 4% rente terugvorderden. In zaak B werd de opzegging door de verwerende partij aanvaard en de afkoopwaarde aan de verzoekende partij uitbetaald. Ook in deze zaak werd terugbetaling van betaalde premies inclusief rente gevorderd gebaseerd op het feit dat de verwerende partij de verzoekende partij niet naar behoren had ingelicht over haar recht van opzegging. Verzoekende partijen zijn onder meer van mening dat de verwerende partijen onjuiste informatie hebben verschaft met betrekking tot het schriftelijkheidsvereiste van de opzegging, en dat het verschaffen van onjuiste informatie gelijkgesteld moet worden met het verzuim om informatie te verstrekken.


Overweging:

Onder verwijzing naar de arresten in Endress en Hamilton verlangt de verwijzende rechter om duidelijkheid  met betrekking tot de vraag of de gelijkstelling van het verstrekken van onjuiste informatie met het verzuim om informatie te verstrekken alleen geldt in geval de consument kennelijk wordt belemmerd bij de uitoefening van zijn recht. In geval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, acht de verwijzende rechter dat moet worden achterhaald of de opzegtermijn ingeval van verzuim om tijdig informatie te verstrekken (voor het sluiten van de overeenkomst)  helemaal niet meer kan beginnen te lopen (“onbeperkt” opzeggingstermijn) dan wel dat de termijn op een later tijdstip ingaat door gebeurtenissen zoals het uitdrukkelijk verstrekken van informatie door de verzekeraar achteraf.


Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 15, lid 1, van richtlijn 90/619/EEG, gelezen in samenhang met artikel 31 van richtlijn 92/96/EEG, artikel 35, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83/EG, en artikel 185, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 186, lid 1, van richtlijn 2009/138/EG aldus worden uitgelegd dat bij ontstentenis van een nationale regeling betreffende de gevolgen van het verstrekken van onjuiste informatie over het recht van opzegging voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst, de termijn voor uitoefening van het recht van opzegging niet ingaat wanneer de verzekeringsonderneming bij het verstrekken van de informatie te kennen geeft dat de opzegging schriftelijk dient te gebeuren, hoewel de opzegging volgens het nationale recht in om het even welke vorm kan worden gegeven?

2. (indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:) Moet artikel 15, lid 1, van richtlijn 90/619/EEG, gelezen in samenhang met artikel 31 van richtlijn 92/96/EEG, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke in geval van verzuim om informatie te verstrekken over het recht van opzegging of in geval van het verstrekken van onjuiste informatie daarover voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst, de termijn voor uitoefening van het recht van opzegging ingaat op het tijdstip waarop de verzekeringnemer – op welke wijze ook – kennis heeft gekregen van zijn recht van opzegging?

3. Moet artikel 35, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83/EG aldus worden uitgelegd dat bij ontstentenis van een nationale regeling betreffende de gevolgen van het verzuim om informatie te verstrekken over het recht van opzegging of van het verstrekken van onjuiste informatie daarover voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst, het recht van de verzekeringnemer om de overeenkomst op te zeggen pas vervalt nadat de afkoopwaarde, wegens zijn opzegging van de overeenkomst, aan hem is uitbetaald en de contractpartijen daarmee hun uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen volledig zijn nagekomen?

4. (indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord en/of de derde vraag ontkennend wordt beantwoord:) Moeten artikel 15, lid 1, van richtlijn 90/619/EEG, artikel 35, lid 1, van richtlijn 2002/83/EG en artikel 186, lid 1, van richtlijn 2009/138/EG aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling volgens welke de afkoopwaarde (de volgens de erkende actuariële methodes berekende geactualiseerde waarde van de verzekering) aan de verzekeringnemer moet worden terugbetaald indien hij zijn recht van opzegging uitoefent?

5. (indien de vierde vraag wordt behandeld en bevestigend wordt beantwoord:) Moeten artikel 15, lid 1, van richtlijn 90/619/EEG, artikel 35, lid 1, van richtlijn 2002/83/EG en artikel 186, lid 1, van richtlijn 2009/138/EG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke ingeval van uitoefening van het recht van opzegging het recht op forfaitaire rente over de terugbetaalde premies wegens verjaring slechts geldt over een periode die zich uitstrekt over de laatste drie jaar die aan het instellen van de vordering voorafgaan?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Walter Endress / Allianz Lebensversicherungs AG, C-209/12; Hamilton, C-412/06; Hübner, C-11/1; Rust-Hackner, C-355/18; Gmoser, C-356/18; Plackner, C-357/18; E. Friz, C-2015/08.

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK