C-482/18 Google Ireland

C-482/18 Google Ireland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 november 2018

Trefwoorden: discriminatie; belastingen; vrij verkeer

Onderwerp:

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;


Feiten:

Verzoekster (Google Ireland) is een in Ierland geregistreerde onderneming die gevestigd is en haar hoofdbestuur heeft in Dublin. Verweerder (nationale belasting- en douanedienst) heeft bij beslissing van 16.01.2017 aan verzoekster eerst een boete van 10.000.000 HUF, vervolgens per dag het drievoudige van de eerst opgelegde boete, in totaal ten bedrage van 1.000.000.000 HUF geldboete, opgelegd wegens het niet-naleven van de registratieplicht in verband met §7/B van de wet op de advertentiebelasting. Verweerder heeft op basis van meldingen van afnemers vastgesteld dat verzoekster in 2016 belastbare activiteiten had verricht terwijl zij niet heeft voldaan aan haar  geldende registratieplicht. Verzoekster heeft de verwijzende rechter verzocht bovenvermelde besluiten van verweerder te vernietigen. Zij is van mening dat verweerder haar in strijd met de artikelen 18 en 56 VWEU een geldboete wegens niet-naleving van de registratieplicht krachtens §7/B van de wet op de advertentiebelasting heeft opgelegd. In Hongarije gevestigde ondernemingen kunnen makkelijker voldoen aan deze verplichtingen. Ook is het verschil tussen de boete die aan Hongaarse ondernemingen en aan buitenlandse ondernemingen kan worden opgelegd onevenredig groot. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wet op de advertentiebelasting niet op grond van nationaliteit discrimineert, aangezien de wet niet-naleving van de registratieplicht niet uitsluitend in het geval van buitenlanders met een geldboete van 1 miljard HUF bestraft, maar ook in geval van ingezetene belastingplichtigen.


Overweging:

De verwijzende rechter concludeert dat de verenigbaarheid van §7/B van de wet op de advertentiebelasting met het Unierecht twijfelachtig is. De relevante bepalingen zijn mogelijk in strijd met het Unierecht, aangezien op een in het buitenland gevestigde onderneming die verzuimt om aan haar geldende registratieplicht te voldoen volgens §7/D een boete ter hoogte van maximaal 1 miljard HUF kan worden opgelegd, terwijl de boete die aan Hongaarse ondernemingen die niet aan hun geldende registratieverplichting voldoen een boete kan worden opgelegd die aanzienlijk lager (namelijk 500 000 HUF of 1 miljoen HUF) ligt. De verwijzende rechter is van oordeel dat voor de in deze zaak gerezen vragen geen eenduidige aanwijzingen voor de nationale rechter voorhanden zijn en gaat daarom over tot het stellen van de prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

1. Dienen de artikelen 18 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) en het beginsel van non-discriminatie aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een belastingregeling van een lidstaat die mogelijk maakt dat de geldboete die bij niet-naleving van de registratieplicht in verband met de advertentiebelasting aan niet in Hongarije gevestigde ondernemingen kan worden opgelegd, in voorkomend geval tot 2 000 keer hoger kan oplopen dan de boete die aan in Hongarije gevestigde ondernemingen kan worden opgelegd?

2. Kan de in de vorige vraag omschreven, abnormaal hoge sanctie met een bestraffend karakter niet in Hongarije gevestigde dienstverrichters ervan weerhouden om in Hongarije diensten te verrichten?

3. Dienen artikel 56 VWEU en het beginsel van non-discriminatie aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling volgens welke in Hongarije gevestigde ondernemingen reeds door inschrijving in het Hongaarse handelsregister en ontvangst van een fiscaal nummer automatisch – zonder daartoe strekkend verzoek – hebben voldaan aan hun registratieplicht, ongeacht of zij daadwerkelijk reclame publiceren, terwijl dit in het geval van niet in Hongarije gevestigde ondernemingen die hier te lande reclame publiceren niet automatisch geschiedt, aangezien deze ondernemingen verplicht zijn actief te voldoen aan de registratieplicht en bij niet-naleving van deze plicht een specifieke sanctie opgelegd kunnen krijgen?

4. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, dienen artikel 56 VWEU en het non-discriminatiebeginsel dan aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sanctie die is opgelegd wegens niet-naleving van de registratieplicht in verband met de advertentiebelasting, wanneer een dergelijke regeling in strijd blijkt te zijn met dit artikel?

5. Dienen artikel 56 VWEU en het non-discriminatiebeginsel aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling volgens welke het besluit waarbij aan een in het buitenland gevestigde onderneming een geldboete wordt opgelegd, na bekendmaking onherroepelijk en uitvoerbaar is en uitsluitend in rechte kan worden aangevochten, in een procedure zonder zitting en louter op basis van schriftelijke bewijsstukken, terwijl tegen een boete die aan een in Hongarije gevestigde onderneming is opgelegd bezwaar kan worden aangetekend en het voorts zo is dat geen beperkingen aan de gerechtelijke procedure worden gesteld?

6. Dient artikel 56 VWEU in het licht van het in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) gewaarborgde recht op een billijke behandeling aldus te worden uitgelegd dat aan deze eis niet wordt voldaan indien de verzuimboete dagelijks wordt opgelegd en telkens verdrievoudigt, ofschoon de betrokken dienstverrichter nog geen kennis heeft kunnen nemen van het eerdere besluit en zijn verzuim bijgevolg onmogelijk heeft kunnen zuiveren?

7. Dient artikel 56 VWEU in het licht van het in artikel 41, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht op een billijke behandeling, het in artikel 41, lid 2, onder a), gewaarborgde recht om te worden gehoord en het in artikel 47 gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht aldus te worden uitgelegd dat aan deze eisen niet is voldaan indien tegen het bewuste besluit geen bezwaar kan worden aangetekend en in het kader van de rechterlijke toetsing uitsluitend schriftelijke bewijslevering toegestaan is en geen mondelinge behandeling kan plaatsvinden?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Eurowings Luftverkehr C-294/97; Berlington Hungary e.a. C-98/14; Säger/Dennemeyer C-76/90; Van Binsbergen/Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid 33/74; C-134/93; Commissie/Griekenland C-210/91; Louloudakis C-262/99; Commissie/Griekenland C-375/95; Reisebüro Broede/Sandker C-3/95;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZK