C-488/18 Golfclub Schloss Igling

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    21 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    07 november 2018

Trefwoorden: btw; sport; openbaar nut;

Onderwerp:

-           Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn);


Feiten:

Verzoekster is een vereniging die in het litigieuze jaar niet was erkend als van openbaar nut. Deze vereniging heeft als statutair doel, de beoefening en bevordering van de golfsport door middel van de exploitatie van een golfterrein en daarbij horende installaties. In het litigieuze jaar heeft verzoekster onder meer een aantal diensten verricht die overeenkomstig artikel 2(1)c) van de btw-richtlijn binnen de werkingssfeer van de btw vallen, en de vraag rijst of deze diensten krachtens artikel 132(1)m) van deze richtlijn van btw kunnen worden vrijgesteld. Het gaat om het verlenen van het recht op gebruik van het golfterrein (greenfee), het in bruikleen geven van golfballen, de organisatie van golftoernooien en evenementen waarbij verzoekster startgeld voor deelname heeft ontvangen, de verhuur van caddies en de verkoop van golfclubs. Verweerder (de belastingdienst) was van oordeel dat over deze diensten btw moest worden geheven. Het daartegen ingestelde beroep heeft de belastingrechter in eerste aanleg gegrond verklaard omdat verzoekster een instelling zonder winstoogmerk is die zich voor de btw-vrijstelling voor de betrokken diensten kan beroepen op van artikel 132(1)m) van de btw-richtlijn. Tegen deze uitspraak heeft verweerder beroep tot Revision ingesteld.


Overweging:

Het valt - gelet op C-592/15 - te betwijfelen of artikel 132(1)m) van de btw-richtlijn rechtstreekse werking heeft zodat instellingen zonder winstoogmerk zich rechtstreeks op deze bepaling kunnen beroepen bij ontstentenis van omzetting ervan in nationaal recht. Bij de tweede vraag gaat de verwijzende rechter ervan uit dat artikel 132(1)m) van de btw-richtlijn de lidstaten niet de bevoegdheid verleent om het begrip “instelling zonder winstoogmerk” autonoom te definiëren. De hoogste federale rechter in belastingzaken heeft in dit verband reeds beslist dat de btw-vrijstellingen van artikel 13 van richtlijn 77/388 autonome begrippen van Unierecht zijn, die moeten voorkomen dat het btw-stelsel in de lidstaten verschillend wordt toegepast. De derde vraag rijst ingeval artikel 132(1)m) van de btw-richtlijn rechtstreekse werking heeft en de lidstaten niet bevoegd zijn het begrip “instelling zonder winstoogmerk” te definiëren. Dan moet worden uitgemaakt aan welke vereisten dit begrip naar Unierecht moet voldoen.


Prejudiciële vragen:

1. Heeft artikel 132, lid 1, onder m), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, volgens hetwelk de lidstaten vrijstelling verlenen voor „sommige diensten welke nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen”, rechtstreekse werking, zodat instellingen zonder winstoogmerk zich rechtstreeks op deze bepaling kunnen beroepen bij ontstentenis van omzetting ervan in nationaal recht?

2. Indien op de eerste vraag bevestigend wordt geantwoord, gaat het bij een „instelling zonder winstoogmerk” in de zin van artikel 132, lid 1, onder m), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde om een begrip dat autonoom overeenkomstig het Unierecht moet worden uitgelegd, of zijn de lidstaten bevoegd te bepalen dat slechts sprake is van een dergelijke instelling indien is voldaan aan bepaalde voorwaarden, zoals de voorwaarden vervat in § 52 juncto § 55 van de Abgabenordnung (of de gezamenlijke §§ 51 e.v. van de Abgabenordnung)?

3. Indien dit begrip autonoom overeenkomstig het Unierecht moet worden uitgelegd, moet een instelling zonder winstoogmerk in de zin van artikel 132, lid 1, onder m), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dan beschikken over een regeling voor het geval van ontbinding, volgens welke zij haar op dat tijdstip bestaand vermogen moet overdragen aan een andere instelling zonder winstoogmerk ter bevordering van sport en lichamelijke opvoeding?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Bridport and West Dorset Golf Club C-495/12; Kennemer Golf & Country Club

C-174/00; British Film Institute C-592/15.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; VWS

Gerelateerde documenten