C-495/18 YX

C-495/18 YX

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    10 november 2018

Trefwoorden: wederzijde erkenning strafvonnissen; erkenning en tenuitvoerlegging

Onderwerp:

-           Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 [PB 2009, L 81, blz. 24] (hierna: „kaderbesluit”)

Feiten:

YX, Slowaaks onderdaan, is op grond van het Tsjechisch strafrecht veroordeeld tot een vrijheidsstraf van vijf jaar voor het ontduiken van belastingen, heffingen en soortgelijke verplichte betalingen. Dit vonnis is door de Slowaakse rechter erkend en ten uitvoer gelegd. Bij de Slowaakse rechter is samen met het vonnis een certificaat overeenkomstig artikel 4 van het kaderbesluit ingediend. Volgens punt g) van dit certificaat zijn de vonnissen en het certificaat toegezonden aan Slowakije in haar hoedanigheid van tenuitvoerleggingsstaat, aangezien de Tsjechische autoriteit tot de overtuiging was gekomen dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie in de tenuitvoerleggende staat in overeenstemming was met de doelstelling de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen, aangezien de tenuitvoerleggingsstaat de staat was waarvan de gevonniste persoon onderdaan was en waarin hij woonde.


YX heeft tegen dit vonnis beroep ingesteld en daarbij onder andere aangevoerd dat de rechter de gronden die aan de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing in de weg stonden in overweging had moeten nemen. Hierbij wijst hij op de omstandigheid dat hij sinds 2015 in Tsjechië woont, samen met zijn partner, met wie hij een gezin wil stichten. Hij stelt zich daarom op het standpunt dat Slowaakse rechter onrechtmatig heeft gehandeld, ook omdat voor de vaststelling van zijn gewone verblijfplaats uitsluitend zijn vaste verblijfplaats in de woning van zijn moeder in aanmerking is genomen, waar hij na 2004 niet meer heeft gewoond. Daarbij wijst hij er ook op dat, indien hij naar behoren over de procedure bij de Slowaakse rechter was ingelicht, hij deze rechter bewijs had kunnen leveren dat hij zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van de Slowaakse republiek heeft. Als laatst voert hij aan dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties die vrijheidsbeneming in andere lidstaten meebrengen tot doel heeft de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen, welk doel niet kan worden bereikt indien de sanctie wordt uitgevoerd buiten Tsjechië, waar zijn partner en al zijn vrienden wonen.


Overweging:

Het Slowaaks recht stelt aan de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing van de beslissingsstaat de voorwaarde dat de gevonniste persoon onderdaan van Slowakije is en a) zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van deze staat heeft, of b) op dit grondgebied bewezen familiale, sociale of arbeidsgerelateerde banden heeft die kunnen bijdragen tot een betere reclassering gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende sanctie op het Slowaaks grondgebied. Uit het Slowaaks recht volgt dat de vaste of tijdelijke verblijfplaats van een Slowaaks onderdaan in Slowakije slechts als registratie dient en dat voor het bestaan van deze verblijfplaatsen niet vereist is dat de onderdaan daar daadwerkelijk verblijft en daarmee dus familiale, sociale, arbeidsgerelateerde of andere banden heeft. Daaruit volgt dat een beslissing van de beslissingsstaat over de oplegging van een vrijheidsbenemende sanctie dus ook kan worden erkend en ten uitvoer worden gelegd indien de gevonniste persoon die Slowaaks onderdaan is, feitelijk niet in deze staat woont, maar in Slowakije slechts een geregistreerde verblijfplaats heeft. Dit geldt ook wanneer deze onderdaan, die permanent in het buitenland woont, heeft verklaard dat hij op het grondgebied van Slowakije slechts een tijdelijke verblijfplaats heeft. De voorwaarde dat de gevonniste persoon familiale, sociale of arbeidsgerelateerde banden heeft die kunnen bijdragen aan een betere reclassering is slechts subsidiair, en daar hoeft volgens het Slowaaks recht slecht aan te zijn voldaan indien de Slowaakse onderdaan zijn gewone verblijfplaats niet op het Slowaaks grondgebied heeft. Op grond hiervan concludeert de verwijzende rechter dat de grieven van YX op het eerste gezicht ongegrond lijken. Hiertegenover staat volgens de verwijzende rechter dat deze Slowaakse regeling een omzetting is van het kaderbesluit en dat het daarom zoveel mogelijk in overeenstemming met het kaderbesluit moet worden uitgelegd. Uit het kaderbesluit volgt dat beoogt wordt de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Volgende de verwijzende rechter is daarom pas aan de criteria van artikel 4, lid 1, onder a, van het kaderbesluit voldaan indien de gevonniste persoon in de lidstaat waarvan hij onderdaan is familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of arbeidsgerelateerde banden heeft op grond waarvan terecht kan worden verondersteld dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in deze lidstaat zijn reclassering zal bevorderen. De Slowaakse regeling verzekert daarom in de optiek van de verwijzende rechter niet de volle werking van het kaderbesluit. De verwijzende rechter komt dan ook tot de conclusie dat voor de beslissing van dit geding een uitlegging Unierecht noodzakelijk is.


Prejudiciële vragen:

1.         Moet artikel 4, lid 1, onder a), van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat aan de daarin vastgelegde criteria slechts is voldaan indien de gevonniste persoon [Or. 9] in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, familiale, sociale, arbeidsgerelateerde of andere banden heeft, op grond waarvan met recht kan worden verondersteld dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in deze staat zijn reclassering kan bevorderen, en dat deze bepaling derhalve in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht als artikel 4, lid 1, onder a), van wet nr. 549/2011, volgens welke een vonnis in dergelijke gevallen kan worden erkend en ten uitvoer gelegd op grond van louter de gewone verblijfplaats die formeel in de tenuitvoerleggingsstaat is geregistreerd, zonder in aanmerking te nemen of de gevonniste persoon in deze staat werkelijk banden heeft die zijn reclassering kunnen bevorderen?

2.         Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, lid 2, van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat ook in het in artikel 4, lid 1, onder a), geregelde geval nog voordat het vonnis en het certificaat worden toegezonden, dient te verifiëren of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat in overeenstemming is met de doelstelling de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen, en in deze context tevens de in deel d), punt 4, van het certificaat verkregen gegevens dient te vermelden, met name indien de gevonniste persoon volgens de overeenkomstig artikel 6, lid 3, van het kaderbesluit kenbaar gemaakte mening verklaart dat hij concrete familiale, sociale en arbeidsgerelateerde banden in de beslissingsstaat heeft?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-42/11, Lopes Da Silva Jorge, EU:C:2012:517; C-554/14, Ogňanov,

EU:C:2016:835; 106/77, Simmenthal, EU:C:1978:49; C-314/08 Filipiak, EU:C:2009:719; C-188/10 en C-189/10 Melki en Abdeli, EU:C:2010:363; C-617/10, Fransson, EU:C:2013:105.

Specifiek beleidsterrein: J&V