C-496/18 HUNGEOD e.a.

C-496/18 HUNGEOD e.a.

Prejudiciële zaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    17 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     2 december 2018

Trefwoorden: overheidsopdrachten, rechtszekerheidsbeginsel, behoorlijk bestuur, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces

Onderwerp:

-           richtlijn 2007/66/EG (..) inzake overheidsopdrachten,

-           richtlijn 92/13/EEG (..) inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie

-           richtlijn 2014/24/EU betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG

-           richtlijn 2014/25/EU (..) betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten


Feiten:

De aanbestedende dienst, Budapesti Közlekedési Zrt. (openbaar vervoerbedrijf Boedapest), en de leden van het winnende samenwerkingsverband, SIXENSE Soldata en Hungeo, hebben op 1 maart 2006 een aanbestedingsovereenkomst gesloten met een waarde boven de Unierechtelijke drempel voor de levering van

bepaalde installaties voor metrolijn 4 in Boedapest, een deels met Uniesteun te realiseren project. Partijen hebben deze overeenkomst op 5 oktober 2009 gewijzigd. Over de wijziging heeft de aanbestedende dienst overeenkomstig § 307 van aanbestedingswet 2003 een kennisgeving gepubliceerd. De Közbeszerzési Döntőbizottság (arbitragecommissie inzake overheidsopdrachten) heeft, in een procedure die door de voorzitter van de Közbeszerzési Hatóság (autoriteit voor aanbestedingen) op 29 mei 2017 ambtshalve was ingesteld, bij besluit van 3 augustus 2017 op grond van de procedurele bepalingen van de na de sluiting van de overeenkomst in werking getreden nieuwe aanbestedingswet 2015 vastgesteld dat de wijziging van de overeenkomst in strijd was met aanbestedingswet 2003 en heeft partijen een boete opgelegd.


Overweging:

De verwijzende rechter wenst o.m. te vernemen welke eisen uit het Unierecht voortvloeien met betrekking tot (op straffe van verval van recht bepaalde) beroepstermijnen in aanbestedingszaken en of er met het beginsel

van rechtszekerheid concurrerende publieke belangen (zoals de bescherming van de financiële belangen van de Unie) bestaan die rechtvaardigen dat aanbestedingen bijna een decennium later nog worden getoetst.


Prejudiciële vragen :

Moeten artikel 41, lid 1, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de overwegingen 2, 25, 27 en 36 van richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, artikel 1, leden 1 en 3, van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie en, in samenhang daarmee, het in het Unierecht verankerde algemene beginsel van rechtszekerheid, alsook de eis dat tegen besluiten van aanbestedende diensten snelle en doeltreffende beroepsprocedures ter beschikking staan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die aan de daarbij in het leven geroepen (toezichthoudende) autoriteit, met betrekking tot vóór de inwerkingtreding daarvan gegunde overheidsopdrachten, de algemene bevoegdheid verleent om na het verstrijken van de op straffe van verval van recht voorgeschreven beroepstermijnen van de relevante vroegere nationale regeling en binnen de termijn die in de nieuwe regeling is vastgelegd, een onderzoek in te stellen naar een bepaalde inbreuk op het gebied van openbare aanbesteding die is gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling en daarover ten gronde uitspraak te doen, en naar aanleiding van dat onderzoek vast te stellen dat die inbreuk is gepleegd, een sanctie op te leggen en aan de onverbindendheid van de

overeenkomst alle passende rechtsgevolgen te verbinden?

2. Zijn de in de eerste vraag genoemde wettelijke bepalingen en beginselen alleen van toepassing op de daadwerkelijke uitoefening van het – subjectieve – recht van belanghebbenden bij een openbare aanbesteding om beroep in te stellen, of ook op de bevoegdheid om een beroepsprocedure in te leiden en te voeren waarover een krachtens het nationale recht van een lidstaat in het leven geroepen (toezichthoudende) autoriteit beschikt, die ter bescherming van het algemeen belang inbreuken op het gebied van openbare aanbestedingen ambtshalve kan

opsporen en onderzoeken?

3. Volgt uit artikel 99, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG dat aan nationale (toezichthoudende) autoriteiten die krachtens het recht van een lidstaat ter bescherming van het algemeen belang bevoegd zijn om inbreuken op het gebied van openbare aanbestedingen ambtshalve op te sporen en te onderzoeken, bij een nieuwe regeling de algemene bevoegdheid kan worden verleend om – ter behartiging van de financiële belangen van de Unie op het gebied van openbare aanbestedingen – onderzoek in te stellen en een beroepsprocedure te starten in verband met inbreuken die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van die nieuwe regeling, ofschoon de op grond van de vroegere regeling op straffe van verval van recht voorgeschreven termijnen al zijn verstreken?

4. Is het voor de beoordeling van de verenigbaarheid met het Unierecht van de in de eerste en de derde vraag omschreven onderzoeksbevoegdheid van de (toezichthoudende) autoriteiten – gelet op de in de eerste vraag genoemde bepalingen en beginselen – relevant wegens welke juridische, wettelijke, technische of organisatorische tekortkomingen of andere beletselen een inbreuk op het gebied van openbare aanbestedingen ten tijde van het plegen ervan niet is onderzocht?

5. Moeten artikel 41, lid 1, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de overwegingen 2, 25, 27 en 36 van richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de

verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, artikel 1, leden 1 en 3, van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake

de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie en, in samenhang daarmee, het in het Unierecht verankerde algemene beginsel van rechtszekerheid, de eis dat tegen besluiten van aanbestedende diensten snelle en

doeltreffende beroepsprocedures ter beschikking staan en het evenredigheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat ook als in het licht van die beginselen de in de eerste tot en met de vierde vraag omschreven bevoegdheid kan

worden verleend aan (toezichthoudende) autoriteiten die krachtens het nationale recht ter bescherming van het algemeen belang bevoegd zijn om inbreuken op het gebied van openbare aanbestedingen ambtshalve op te sporen en te onderzoeken, de nationale rechter de redelijkheid en de evenredigheid van de tijd die verstreken is tussen het plegen van de inbreuk, het verstrijken van de op straffe op verval van recht voorgeschreven beroepstermijn zoals die vroeger gold en het instellen van het onderzoek naar de inbreuk, bij zijn beoordeling kan betrekken en op basis

daarvan de rechtsgevolgen kan bepalen van de onverbindendheid van het bestreden besluit of andere in het recht van de lidstaat vastgestelde gevolgen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Arresten van 11 oktober 2007, Lämmerzahl, C-241/06 (EU:C:2007:597);

28 januari 2010, Commissie/Ierland, C-456/08 (EU:C:2010:46); 21 oktober 2010, Symvoulio Apochetefseon Lefkosias, C-570/08 (ECLI:EU:C:2010:621); 11 september 2014, Fastweb, C-19/13 (EU:C:2014:2194); 12 maart 2015, eVigilo, C-538/13 (EU:C:2015:166, punt 40); 6 oktober 2015, Orizzonte Salute, C-61/14 (EU:C:2015:655); 15 september 2016, Star Storage e.a., C-439/14 en C-488/14 (EU:C:2016:688); 5 april 2017, Marina del Mediterráneo e.a., C-399/15 (EU:C:2017:268), en 16 mei 2017, Berlioz, C-682/15 (ECLI:EU:C:2017:373

Specifiek beleidsterrein: EZ, BZK, JenV