C-498/18 Deutsche Lufthansa

C-498/18 Deutsche Lufthansa

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    26 november 2018

Trefwoorden: aansprakelijkheid; termijn; luchtvaart

Onderwerp:

-           Op 28 mei 1999 te Montreal gesloten verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (hierna: verdrag van Montreal);


Feiten:

ZW had een pakketreis geboekt van Madrid-Frankfurt en Frankfurt-Zagreb, en later weer terug (Zagreb-Frankfurt en Frankfurt-Madrid). Bij het het aan boord gaan voor de vlucht Frankfurt-Zagreb van de luchtvaartmaatschappij Deutsche Lufthansa, die werd uitgevoerd door Croatia Airlines, liep ZW een scheur in de binnenmeniscus van haar linkerknie op. Ten gevolge van het letsel onderging zij op 03.07.2006 een chirurgische ingreep en was zij gedurende in totaal 68 dagen afwezig op haar werk. Op 12.02.2007 en 08.03.2007 formuleerden de advocaten van ZW buitengerechtelijke vorderingen tegen Lufthansa. Op 21.06.2007 vond voor rechter in eerste aanleg een tevergeefse bemiddelingspoging plaats tussen ZW en Lufthansa. Op 17.09.2008 stelde ZW een vordering in tegen Lufthansa, waarin zij op grond van het verdrag van Montreal verzocht om schadevergoeding. De rechter wees de vordering af, omdat de termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 35(1) van het verdrag van Montreal fataal is, en niet kan worden gestuit; de vordering was vervallen. ZW stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, dat door de Audiencia Provincial werd afgewezen. Hiertegen stelde ZW beroep in cassatie.


Overweging:

In casu is het raadzaam om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, zodat het Hof zich kan uitspreken over de vraag of de in die bepaling vastgestelde termijn van twee jaar voor het uitoefenen van de rechtsvordering kan worden gestuit of geschorst, bijvoorbeeld gedurende de tijd die nodig is voor de genezing of stabilisatie van het letsel dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid heeft doen ontstaan. Ook moet worden besloten of de verwijzing in lid 2 van artikel 35 van het verdrag van Montreal naar het nationaal recht betekent dat de termijn niet altijd aanvangt wanneer het luchtvaartuig aankomt ter bestemming, maar wanneer de benadeelde kennis heeft van alle omstandigheden die bekend moeten zijn om de omvang van de schade te kunnen bepalen


Prejudiciële vragen:

1. Kan de in artikel 35, lid 1, van het verdrag van Montreal neergelegde termijn van twee jaar voor [de] uitoefening van de rechtsvordering worden gestuit of geschorst?

2. Staat artikel 35, lid 2, van het verdrag van Montreal, [volgens hetwelk] „[d]e wijze van de berekening  van de termijn wordt beheerst door de wet van de rechter voor wie de vordering is aanhangig gemaakt” het standpunt toe, dat een bepaling van nationaal recht inzake de aanvangsdatum voor de berekening van de termijn voorrang kan krijgen boven de algemene bepaling van artikel 35, lid 1, volgens welke de termijn aanvangt bij de aankomst ter bestemming?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: gevoegde zaken C-154/15, C-307/15 en C-308/15; Barth C-542/08; Barra C-309/85; IATA en ELFAA C-344/04; Bogiatzi C-301/08; C-188/10 en C-189/10; C-160/14.

Specifiek beleidsterrein: JenV;