C-50/18, C-64/18, C-140/18, C-146/18 en C-148/18

C-50/18, C-64/18, C-140/18, C-146/18 en C-148/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    16 juni 2018

Trefwoorden: cumulatiebeginsel; administratieve sancties; evenredigheidsbeginsel

Onderwerp:

-           Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten;
-           Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (hierna: IMI-verordening);
-           VWEU artikel 56;
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikelen 47 en 49;

Feiten:

Het gaat hier om vijf gevoegde zaken waarin de Oostenrijkse bestuursrechter in eerste aanleg in de beroepen tegen de strafbeschikkingen van de Bezirkhauptmannschaft Murtal heeft besloten tot het overgaan op het stellen van prejudiciële vragen. De verzoekende partijen (Mestrovic e.a.) zijn te beschouwen als externe vertegenwoordigers van (verschillende) ondernemingen in de zin van §9 van de Oostenrijkse wet inzake administratieve sancties (hierna: VStG). Hierdoor zijn zij verantwoordelijk voor de terbeschikkingstelling van de loondocumenten van hun grensoverschrijdende werknemers voor de duur van de tewerkstelling krachtens §7d (1) van de Oostenrijkse wet tot wijziging van de wet op de arbeidsovereenkomsten (hierna: AVRAG). Bij controle van de fiscale recherche bleek dat de verzoekende partijen (al dan niet deels) verzuimden om deze loondocumenten ter beschikking te houden. De prejudiciële vragen zijn gericht op de in het geding zijnde cumulatiebeginsel en de opgelegde straffen.

Overweging:

Het in §7i(4) AVRAG (Arbeitsvertragsrechts-Anpassungsgesetz) omschreven strafbare feit omvat weliswaar een strafmaat die de rechter een beoordelingsmarge bij de strafbepaling laat, maar deze beoordelingsmarge wordt door het samenspel van het cumulatiebeginsel, omstandigheden waardoor de strafmaat wordt gewijzigd en hoge minimumstraffen zo sterk aan banden gelegd dat zelfs het opleggen van de overeenkomstig de toepasselijke strafmaat laagste straf kan uitmonden in een samengestelde straf waarvan kan worden betwijfeld of zij met de Unierechtelijke verplichting van evenredige sancties verenigbaar is. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Hof, in het geval dat er geen bezwaren uit hoofde van het Unierecht tegen het cumulatiebeginsel zijn, ter eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en ter voorkoming van belemmering van de vrijheid van dienstverlening door de overdreven afschrikkende werking van deze geldboeten een absolute maximumstraf noodzakelijk acht, die ervoor zorgt dat de samengestelde straf zelfs in geval van een groot aantal afzonderlijke inbreuken een absolute maximumgrens niet overschrijdt.

Prejudiciële vragen:

C-50/18, C-64/18 en C-140/18

1. Moeten artikel 56 VWEU, richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale norm die voor inbreuken op formele verplichtingen in het kader van grensoverschrijdende tewerkstelling, zoals het verzuimen om loondocumenten ter beschikking te houden, [zoals het niet ter beschikking stellen van de loonadministratie door de uitlener aan de ontvangende werkgever] voorziet in zeer hoge geldboeten, in het bijzonder in hoge minimumstraffen, die cumulatief per betrokken werknemer worden opgelegd?

2. Voor het geval dat de eerste vraag niet bevestigend wordt beantwoord: Moeten artikel 56 VWEU, richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat cumulatieve geldboeten zonder absolute maximumgrenzen of zonder absolute bovengrens worden opgelegd voor inbreuken op formele verplichtingen in het kader van grensoverschrijdende tewerkstelling?

C-140/18

3. Indien de eerste en tweede vraag ontkennend worden beantwoord: Moet artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die voor op nalatigheid berustende delicten voorziet in geldboeten zonder maximum en vervangende hechtenis van meerdere jaren?

C-146/18

Moeten de artikelen 47 en 49 van het Handvest van de grondrechten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die dwingend voorziet in een bijdrage in de proceskosten voor de beroepsprocedure van 20% van de opgelegde straf?

C-148/18

Moet artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die voor op nalatigheid berustende delicten voorziet in geldboeten zonder maximum, in het bijzonder hoge minimumstraffen, en vervangende hechtenis van meerdere jaren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Mecanarte C-348/89; Ntionik Anonymi Etaireia Emporias H/Y C-430/05, Commissie/Griekenland C-210/91; Siesse C-36/94; Urbán C-210/10; EL-EM-2001 C-501/14; Euro-Team Kft. en Spirál-Gép Kft. C-497/15 en C-498/15; Asociatia Accept C-81/12; Commissie/Verenigd Koninkrijk C-383/92; Texdata Software C-418/11; Le Crédit Lyonnais SA C-565/12; Finalarte e.a. C-49/98 JT; Santos Palhota e.a. C-515/08;

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN-fiscaal