C-502/18 České aerolinie

C-502/18 České aerolinie

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    10 november 2018

Trefwoorden: compensatie luchtpassagiers;

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91;


Feiten:

Verweerster (České aerolinie a.s.) heeft het eerste deel uitgevoerd van de vlucht waarvoor verzoekers compensatie vorderen van verweerster wegens late aankomst. Na de tussenlanding is het tweede deel van de vlucht door Etihad Airways uitgevoerd, in overeenstemming met het vluchtplan en onder een codesharingovereenkomst. Etihad Airways is geen communautaire luchtvaartmaatschappij. In het tweede deel van de vlucht is een vertraging opgetreden. De vlucht van 8.606 km van Praag (via Abu Dhabi) naar Bangkok was 488 minuten vertraagd. De rechtbank in eerste aanleg heeft beslist dat de vorderingen in kwestie onder de verordening vallen omdat de passagiers zijn vertrokken van de luchthaven van Praag (in een EU-lidstaat). De rechter heeft vervolgens geoordeeld dat het gevorderde bedrag gerechtvaardigd was krachtens artikel 7(1)c) van de verordening, gelezen in samenhang met het arrest C-402/07. Verweerster voerde hiertegen aan dat zij niet in rechte kon worden aangesproken, aangezien zij niet de luchtvaartmaatschappij was die het vluchtsegment van Abu Dhabi naar Bangkok heeft uitgevoerd. De rechter in eerste aanleg heeft verweersters aansprakelijkheid afgeleid uit artikel 3(5) van de verordening, waarin is bepaald dat indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, zij wordt geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier. De verwijzende rechter heeft, als rechter in tweede aanleg, het vonnis van de rechter in eerste aanleg bevestigd en de vordering toegewezen.


Overweging:

In de bij hem aanhangige zaak gaat de verwijzende rechter ervan uit dat alleen de verordening op de partijen kan worden toegepast. De vordering in kwestie kan niet worden toegewezen op grond van het nationale recht. De afwijkende rechtspraak van de Tsjechische en Duitse rechters biedt een argument om door middel van een arrest voor eenheid in de rechtspraak van het Hof te zorgen. De verwijzende rechter is daarom overgegaan tot het stellen van de prejudiciële vraag.


Prejudiciële vraag:

Is een communautaire luchtvaartmaatschappij verplicht krachtens artikel 3, lid 5, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 261/2004 [van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91] compensatie aan de passagiers te betalen wanneer de communautaire luchtvaartmaatschappij als contractuele vervoerder het eerste segment van een vlucht heeft uitgevoerd, met een tussenlanding op een luchthaven in een niet-lidstaat, van waaruit een vervoerder die geen communautaire luchtvaartmaatschappij is, op basis van een codesharingovereenkomst, het tweede segment van de vlucht heeft uitgevoerd en er een vertraging van meer dan drie uur was bij aankomst op de luchthaven van eindbestemming, die volledig is ontstaan in het tweede vluchtsegment?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-11/11; C-402/07; C-173/07; C-559/16; gevoegde zaken C-274/16, C-447/16 en C-448/16;

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK