C-507/18 Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI

C-507/18 Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    03 oktober 2018

Schriftelijke opmerkingen:                    19 november 2018

Trefwoorden: gelijke behandeling; vrijheid van meningsuiting; grondrechten

Onderwerp:

-           Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

-           Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (2013/396/EU);


Feiten:

De verzoekende partij (NH) heeft in een radio-interview verklaard dat hij geen homoseksuele personen in zijn advocatenpraktijk in dienst zou willen nemen en dat hij daarin niet met hen zou willen samenwerken. Hiervoor is hij bij beschikking van 06.08.2014 veroordeeld door de rechter in eerste aanleg. In deze beschikking is de gedraging van NH onrechtmatig verklaard en als discriminerend gekwalificeerd, en is NH veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €10.000,-. NH heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de rechter in tweede aanleg, die het hoger beroep heeft verworpen. Hiertegen heeft NH beroep in cassatie ingesteld. NH betwist de procesbevoegdheid van verweerder (Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI) die als vereniging uitsluitend bestaat uit advocaten en advocaatstagiairs die gespecialiseerd zijn in de verdediging van LGBTI-rechten. NH voert verder aan dat hij zich niet heeft gepresenteerd als werkgever maar als gewone burger die louter een mening heeft geuit. Wanneer NH voor zijn verklaringen wordt gestraft, wordt zijn recht op vrijheid van meningsuiting geschonden. Daarnaast werpt NH de vraag op van de grondwettigheid van artikel 2 en artikel 3 van d. lgs. nr. 216/2003 in relatie tot artikel 21 van de grondwet, met het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, zodat de Corte costituzionale in staat wordt gesteld na te gaan of de meest fundamentele beginselen van het Italiaanse rechtsstelsel zijn gerespecteerd.


Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of een vereniging van advocaten die zich ten doel stelt personen met een andere seksuele geaardheid juridische bescherming te bieden, een vertegenwoordigend orgaan is in de zin van artikel 9(2) van de richtlijn, gezien het feit dat in haar statuten ook is opgenomen dat zij als doel heeft de cultuur van LGBTI-personen te verspreiden. Daarnaast is de verwijzende rechter van oordeel dat het bestaan van een reëel gevaar van discriminatie een vereiste lijkt op basis van de Uniewetgeving en de nationale wetgeving. Nu geen sprake is van individuele onderhandelingen over werk of een openbare vacature, betwijfelt deze rechter of enkele verklaringen toereikend zijn voor discriminatie. Dit zou onverenigbaar zijn met de beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten. De verwijzende rechter acht het daarom noodzakelijk dat het Hof richtlijn 2000/78/EG uitlegt en zich uitspreekt over de beperkingen die daaruit voortvloeien.


Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 9 van richtlijn 2000/78/EG aldus te worden uitgelegd dat een vereniging van advocaten, gespecialiseerd in de juridische bescherming van personen met een andere seksuele geaardheid, waarvan in de statuten is vastgelegd dat de vereniging zich ten doel stelt de cultuur en de eerbiediging van de rechten van deze personen te bevorderen, zich automatisch kan opwerpen als vertegenwoordiger van een collectief belang en als vereniging zonder winstoogmerk met de bevoegdheid om in rechte op te treden, ook met een vordering van schadevergoeding, wanneer zich feiten voordoen die voor genoemde personen als discriminerend worden beschouwd?

2. Dienen de artikelen 2 en 3 van richtlijn 2000/78/EG aldus te worden uitgelegd dat een meningsuiting gericht tegen homoseksuele personen, waarbij een geïnterviewde tijdens een radio-uitzending heeft verklaard dat hij nooit homoseksuele personen zou aannemen voor zijn advocatenpraktijk of daarin nooit met homoseksuele personen zou willen samenwerken, hoewel er op dat moment geen sprake was van een sollicitatieprocedure en deze ook niet was voorzien, valt onder de werkingssfeer van de door die richtlijn geboden bescherming tegen discriminatie?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Feryn C-54/07; Asociaţia Accept C-81/12; G4S Secure Solutions C-157/15; Poiares Maduro in de zaak Feryn C-54/07.

Specifiek beleidsterrein: JenV; SZW