C-508/18 en C-509/18 Minister for Justice and Equality e.a.

C-508/18 en C-509/18 Minister for Justice and Equality e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    02 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    18 november 2018

Trefwoorden: EAB; onafhankelijkheid;

Onderwerp:

-           Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: kaderbesluit);


Feiten:

De aan de orde zijnde kwestie is of de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een rechterlijke autoriteit is als bedoeld in artikel 6(1) van het kaderbesluit. In de eerste zaak verzoekt het bureau van de officier van justitie bij het Landgericht Lübeck (regionale rechter, Duitsland) - op grond van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) - om overlevering van OG. In de tweede zaak verzoekt de Litouwse procureur-generaal - op grond van een EAB - om overlevering van PF. De bezwaren van OG en PF werden allemaal verworpen, behalve het argument dat de officier van justitie Lübeck, respectievelijk de procureur-generaal, geen “rechterlijke autoriteit” is als bedoeld in artikel 6(1) van het kaderbesluit en dus ook niet in de zin van de Ierse European Arrest Warrant Act van 2003 (hierna: EAWA). Overeenkomstig section 20 van de EAWA verzocht de Ierse rechter in eerste aanleg in beide zaken om aanvullende gegevens. Na antwoorden van de officier van justitie Lübeck en de procureur-generaal te hebben ontvangen, kwam de Ierse rechter in eerste aanleg tot de slotsom dat de procureur-generaal als rechterlijke autoriteit kwalificeert in de zin van artikel 6(1) van het kaderbesluit. In beroep werden de twee zaken samen behandeld door de Ierse rechter in tweede aanleg, die de beslissing van de rechter in eerste aanleg bevestigde.


Overweging:

Het institutionele kader voor het openbaar ministerie in Duitsland is blijkbaar dusdanig dat de officier van justitie Lübeck uiteindelijk institutioneel – weliswaar indirect – wordt aangestuurd door of instructies ontvangt van de uitvoerende macht. De verwijzende rechter is er niet van overtuigd dat een dergelijke officier van justitie voldoet aan de beginselen die het Hof heeft geformuleerd in C-452/16 en in zijn andere arresten of dat zijn onafhankelijkheid kan worden vastgesteld op grond van het feit dat de uitvoerende  macht hem specifiek met betrekking tot het in dit geval uitgevaardigde EAB niet heeft aangestuurd noch instructies heeft gegeven. De vraag of de officier van justitie Lübeck of een soortgelijke officier van justitie al dan niet kwalificeert als rechterlijke autoriteit als bedoeld in artikel 6(1) van het kaderbesluit, betreft volgens de verwijzende rechter een vraag over de uitlegging van Unierecht waarop het antwoord niet vaststaat. Dit gerecht heeft derhalve vastgesteld dat het als gerecht in laatste aanleg ertoe is gehouden dit verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.


Prejudiciële vragen C-508/18:

1. Moet de onafhankelijkheid van een officier van justitie ten opzichte van de uitvoerende macht worden vastgesteld volgens zijn positie in de toepasselijke nationale rechtsorde? Indien dat niet het geval is, wat zijn dan de criteria aan de hand waarvan die onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht moet worden vastgesteld?

2. Is een officier van justitie die volgens het nationaal recht rechtstreeks of indirect kan worden aangestuurd door of instructies kan ontvangen van het ministerie van Justitie, voldoende onafhankelijk van de uitvoerende macht teneinde te kunnen kwalificeren als rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit?

3. Indien dat het geval is, moet de officier van justitie dan tevens functioneel onafhankelijk zijn ten opzichte van de uitvoerende macht en wat zijn dan de criteria aan de hand waarvan die functionele onafhankelijkheid moet worden vastgesteld?

4. Kwalificeert een officier van justitie die onafhankelijk is ten opzichte van de uitvoerende macht, als „rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit, indien zijn taken niet verder gaan dan onderzoeken opstarten en voeren en ervoor zorgen dat deze objectief en rechtsgeldig verlopen, [OR.13] verdachten in staat van beschuldiging stellen, rechterlijke beslissingen ten uitvoer leggen en personen wegens strafbare feiten vervolgen, en hij geen nationale aanhoudingsbevelen uitvaardigt en geen rechterlijke taken mag uitoefenen?

5. Kwalificeert de officier van justitie Lübeck als rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten?


Prejudiciële vragen C-509/18:

1. Zijn de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, aangeduide officier van justitie een rechterlijke autoriteit is volgens de autonome betekenis van dat begrip in artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit van 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, dat (1) de officier van justitie onafhankelijk optreedt ten opzichte van de uitvoerende macht en (2) in zijn eigen rechtsorde wordt geacht deel te nemen aan de rechtsbedeling?

2. Indien dat niet het geval is, wat zijn dan de criteria aan de hand waarvan een nationale rechter dient vast te stellen of een als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit aangeduide officier van justitie een rechterlijke autoriteit is in de zin van dat artikel?

3. Indien de criteria vereisen dat een officier van justitie deelneemt aan de rechtsbedeling, dient dat dan te worden vastgesteld volgens de status die hij heeft in zijn eigen rechtsorde of veeleer aan de hand van

bepaalde objectieve maatstaven? In laatstgenoemd geval, wat zijn dan die objectieve maatstaven?

4. Is de officier van justitie van de Republiek Litouwen een rechterlijke autoriteit volgens de autonome betekenis van dat begrip in artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit van 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Poltorak C-452/16 PPU; Õzçelik C-453/16 PPU; Kovalkovas C-477/16 PPU; Kossowski C-486/14; LM C-216/18 PPU;

Specifiek beleidsterrein: JenV