C-513/18 Autoservizi Giordano

C-513/18 Autoservizi Giordano

Prejudiciële zaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    4 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    20 november 2018

Trefwoorden: belasting; rechtstreekse werking;

Onderwerp:

-           Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

-           Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit;

-           Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan;

-           Verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen;

-           Verordening (EG) Nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (herschikking);


Feiten:

Autoservizi Giordano soc. coop. is een onderneming die als bedrijfsactiviteit reizigers vervoert door middel van verhuur van autobussen met chauffeur. De verzoekende partij is in beroep gegaan tegen een besluit tot weigering van het belastingvoordeel voor commerciële gasolie als bedoeld in artikel 24ter van het wetsbesluit (hierna: d. lgs.) en artikel 7 van richtlijn 2003/96/EG. De verzoekende partij voert aan dat de door artikel 24 ingevoerde restrictie waarbij het belastingvoordeel uitsluitend wordt verleend aan de daarin genoemde entiteiten, waaronder verzoekende partij niet is inbegrepen, arbitrair is en in strijd met de wet moet worden beschouwd. Subsidiair wordt verzocht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen over welke ondernemingen en entiteiten in de werkingssfeer van artikel 7 vallen. Verwerende partij betoogt dat artikel 7 van richtlijn 2003/96/EG niet rechtstreeks van toepassing is en het beroep verworpen dient te worden.


Overweging:

CTP Palermo is van oordeel dat een prejudiciële beslissing moet worden verzocht, aangezien artikel 24 ter van d. lgs. de werkingssfeer van artikel 7 van richtlijn 2003/96/EG beperkt. De tot nu toe gekozen standpunten door belastingrechters in eerste aanleg maken tussenkomst van het Hof noodzakelijk om een erga omnes bindende uitlegging te geven. Met name wordt verduidelijking verzocht met betrekking tot de vraag of particuliere entiteiten die gasolie voor commercieel gebruik gebruiken recht hebben op teruggaaf van teveel betaalde accijns, ook wanneer zij particulier vervoer verzorgen door middel van verhuur met chauffeur. Daarnaast verzoekt CTP Palermo uitlegging van de vraag of de nationale bepaling die een bepaalde categorie entiteiten uitsluit van het fiscale voordeel in strijd is met EU-recht. Ten slotte is het nodig dat het Hof verduidelijkt of de discretionaire bevoegdheid van lid 2 van artikel 7 van richtlijn 2003/96/EG meebrengt dat de bepaling die onder gasolie voor commercieel gebruik ook verstaat gasolie die bestemd is voor “occasioneel vervoer van personen”, niet rechtstreeks werkt noch onvoorwaardelijk is.


Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 7 van richtlijn 2003/96/EG aldus worden uitgelegd dat alle ondernemingen en entiteiten, publiek of privaat, die werkzaam zijn in de sector personenvervoer per bus, inclusief de verhuur van bussen met chauffeur, binnen de werkingssfeer ervan vallen, en staat deze bepaling in de weg aan de interne regeling ter omzetting van de richtlijn, voor zover daarin degenen die als bedrijfsactiviteit bussen met chauffeur verhuren niet zijn opgenomen onder de entiteiten die gebruikmaken van gasolie voor commercieel gebruik?

2. Brengt de aan de staten verleende discretionaire bevoegdheid, waaraan artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/96/EG refereert („De lidstaten mogen onderscheid maken tussen commerciële en niet-commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, op voorwaarde dat de communautaire minimumbelastingniveaus gerespecteerd worden en het belastingniveau voor commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging niet onder het op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveau daalt”), mee dat de bepaling die onder gasolie voor commercieel gebruik  ook 

verstaat  gasolie  die  bestemd  is  voor  „occasioneel  vervoer  van personen”, niet rechtstreeks werkt noch onvoorwaardelijk is?

3. Is de inhoud van artikel 7 voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk, zodat het rechtstreeks door een particulier kan worden ingeroepen jegens de autoriteiten van de lidstaat in kwestie?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; JenV