C-515-18 Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    03 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    19 november 2018

Trefwoorden: aanbesteding; openbaar vervoer;

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad;


Feiten:

Met het onderhavige beroep vordert verzoeker (Autorità) nietigverklaring van twee regionale beslissingen inzake de onderhandse gunning van een opdracht voor dienstverlening voor openbaar vervoer. Verzoeker stelt melding te hebben gekregen van mogelijke gebreken in de procedure die de regio Sardinië heeft gestart voor de onderhandse gunning van regionale spoordiensten. Deze procedure is van start gegaan met een vooraankondiging die is bekendgemaakt, zoals is voorzien in artikel 7(2) van de verordening. Na bekendmaking van de aankondiging heeft het regionale bestuur, naast de inschrijving van Trenitalia, blijken van belangstelling ontvangen van ARRIVA ITALIA RAIL en van AW RAIL. Bij voornoemde beslissing heeft de regio Sardinië de opdracht voor dienstverlening gegund aan Trenitalia, zonder enige procedure met een oproep tot mededinging waarin de inschrijvingen van marktdeelnemers die een blijk van belangstelling hadden ingediend, zouden worden vergeleken en met name zonder gevolg te verlenen aan de verzoeken daartoe van ARRIVA ITALIA RAIL. Het beroep van verzoeker is gericht op de onrechtmatigheid van de onderhandse gunning. De regio Sardinië heeft tegengeworpen dat de stelling van verzoeker ertoe leidt dat de voorschriften inzake de onderhandse gunning buiten toepassing worden gelaten, hetgeen zou neerkomen op een echte op mededinging gebaseerde aanbestedingsprocedure. Ook met betrekking tot de informatieplichten gaat de regio Sardinië ervan uit dat het regionale bestuur de bepalingen van artikel 7 van de verordening heeft nageleefd. Ook Trenitalia heeft een memorie ingediend en zij staaft de juistheid van de handelwijze van de regio Sardinië, zowel uit het oogpunt van de rechtmatigheid van de onderhandse gunning, als uit het oogpunt van de informatieplichten en de motiveringsplicht.


Overweging:

Is het mogelijk om artikel 7, leden 2 en 4, van de verordening uit te leggen in overeenstemming met de Verdragsbeginselen inzake mededinging, niet-discriminatie, en transparantie, door de bepalingen van de verordening een zo ruim mogelijke betekenis te geven zowel wat betreft de informatieplichten als wat betreft de verplichting tot motivering van de keuze voor de procedure van onderhandse gunning? Het antwoord van het Hof is van doorslaggevend belang voor de beslechting van het geding, waarin het gaat om de normatieve strekking van de aangehaalde bepalingen van de verordening.


Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1370/2007 van 23 oktober 2007 aldus te worden uitgelegd dat de bevoegde instantie die voornemens is het contract onderhands te gunnen, verplicht is de nodige maatregelen te treffen met het oog op bekendmaking of mededeling van de informatie die alle marktdeelnemers die eventueel belangstelling zouden hebben voor de exploitatie van de dienst, nodig hebben om een ernstige en redelijke inschrijving op te stellen?

2. Dient artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1370/2007 van 23 oktober 2007 aldus te worden uitgelegd dat de bevoegde instantie, alvorens het contract onderhands te gunnen, verplicht is alle inschrijvingen voor exploitatie van de dienst die zij eventueel heeft ontvangen na bekendmaking van de in dat artikel 7, lid 4, bedoelde vooraankondiging, vergelijkend te onderzoeken?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK

Gerelateerde documenten