C-518/18 RD

C-518/18 RD

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     20 november 2018

Trefwoorden: niet-betwiste schuldvorderingen; Europese executoriale titel

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (verordening).


Feiten:

Verzoekster vordert van verweerster de betaling van een bedrag van 6600 CZK op grond van een huurovereenkomst. Hiermee had verweerster zich ertoe verbonden een huurprijs te betalen van in totaal 6600 CZK per maand. Op 28 september 2008 had verweerster een schuldverklaring opgemaakt en zich ertoe verbonden om haar schuld te betalen tegen 30 september 2008, wat zij uiteindelijk niet had gedaan. Omdat de rechter de woonplaats van de verweerster niet kon achterhalen, had hij een mandataris voor haar aangeduid. Noch verweerster, nog de aangewezen mandataris, hebben deelgenomen aan de procedure of zijn op komen dagen tijdens de terechtzitting. Het verzoekschrift werd ingewilligd en de beslissing werd betekend aan de mandataris. Verzoekster heeft de rechter op 14 oktober 2016 verzocht om de beslissing van dit gerecht onherroepelijk en uitvoerbaar te verklaren en te waarmerken als een Europese executoriale titel, overeenkomstig artikel 3 van de verordening. Volgens het gerecht was echter niet voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van dat bewijs, aangezien een schuldvordering als niet-betwist wordt beschouwd indien de schuldenaar uitdrukkelijk met de schuldvordering heeft ingestemd, of indien de schuldenaar zich niet overeenkomstig de vormvoorschriften van de lidstaat in de loop van de procedure tegen de schuldvordering verweert, of afwezig blijft ter terechtzitting over de schuldvordering op voorwaarde dat deze handelswijze volgens het recht van de lidstaat van de rechter die de beslissing geeft, gelijkstaat met een stilzwijgende erkenning van de schuldvordering of van de door de schuldeiser beweerde feiten. Volgens de rechter kan de schuldvordering waarover na de bewijsverkrijging een beslissing was gegeven zonder dat verweerster feitelijke punten van bezwaar kenbaar had gemaakt of een verweer had geformuleerd, niet als een niet-betwiste schuldvordering worden beschouwd. Verzoekster heeft een grondwettelijk beroep ingesteld tegen deze aanpak, op grond dat deze op een ongeoorloofde manier zou hebben ingegrepen in haar grondwettelijk gewaarborgde rechten. Volgens verzoekster had de rechter het Hof in deze zaak moeten verzoeken om een prejudiciële beslissing om te bepalen of een beslissing die de rechter na de bewijsverkrijging geeft zonder dat verweerster feitelijke punten van bezwaar kenbaar heeft gemaakt of een verweer heeft geformuleerd, als een niet-betwiste schuldvordering kan worden beschouwd.


Overweging:

De verwijzende rechter is er niet van overtuigd dat een schuldvordering voor de toepassing van artikel 3 van de verordening als niet-betwist kan worden beschouwd in de situatie waarin de schuldenaar zich niet, overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften volgens het recht van de lidstaat van oorsprong, in de loop van de gerechtelijke procedure tegen de schuldvordering heeft verweerd, de schuldenaar tijdens de terechtzitting over die schuldvordering niet is verschenen en waarin verweerster tegelijkertijd werd vertegenwoordigd door een mandataris die was aangeduid op grond van het feit dat haar woonplaats niet bekend was. Daarbij overweegt de verwijzende rechter dat verweersters afwezigheid ter terechtzitting niet was ingegeven door een bewuste keuze maar als gevolg van het feit dat zij wegens haar onbekende woonplaats niet op de hoogte kon zijn van de procedure die aanhangig was. Volgens de rechter kon de schuldvordering daarom niet als “niet betwist” worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b). Aangezien het Tsjechisch grondwettelijk hof van oordeel is dat de aanpak van de rechtbank strijdig is met de grondwet en aangezien de verwijzende rechter er niet van is overtuigd dat de schuldvordering in deze zaak als niet-betwist kan worden beschouwd, acht de verwijzende rechter het nodig om de onderstaande vraag aan het Hof te stellen.


Prejudiciële vragen:

Moet artikel 3, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen aldus worden uitgelegd dat een schuldvordering waarover een beslissing is gegeven na de bewijsverkrijging, als niet-betwist kan worden beschouwd wanneer noch verweerster, die haar schuld had erkend vóór de start van de procedure, noch haar mandataris heeft deelgenomen aan de gerechtelijke procedure of enig punt van bezwaar heeft opgeworpen in de loop van de procedure?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-511/14 Pebros Servizi

Specifiek beleidsterrein: JenV