C-519/18 Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

C-519/18 Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     9 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     25 november 2018

Trefwoorden: gezinshereniging;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: „richtlijn”)


Feiten:

Geschil tussen TB (verzoekster) en de Hongaarse dienst immigratie en asiel (verweerder). Zuster van verzoekster heeft een verzoek om afgifte van een verblijfstitel met als doel gezinshereniging, en een visumaanvraag om de verblijfstitel in ontvangst te nemen ingediend bij een Hongaarse diplomatieke missie. Als gezinshereniger gaf zij verzoekster aan, die door de Hongaarse asielautoriteit als vluchteling is erkend. Dit verzoek is afgewezen op grond van het hebben verstrekt van valse informatie en onjuiste gegevens. Bovendien had zij, gelet op haar opleidingsniveau en haar gezondheidstoestand, niet aangetoond dat zij wegens haar gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zou zijn zelf in haar levensonderhoud te voorzien, aangezien zij, volgens de door haar overgelegde medische documentatie, lijdt aan depressie waarvoor zij regelmatig medicatie gebruikt. Verzoekster voert aan dat verweerder haar aanvraag heeft afgewezen zonder deugdelijk onderzoek te doen naar de feiten; derhalve heeft hij ten onrechte vastgesteld dat de ingediende originele documenten valse informatie en onjuiste gegevens bevatten. Verzoekster heeft verzocht om een prejudiciële procedure, mede inzake de weigeringsgronden die zijn gebaseerd op het niet vervuld zijn van de in de Hongaarse bepaling opgenomen voorwaarde dat aanvragers moeten aantonen wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzijn. Volgens verzoekster is deze grond voor weigering in strijd met artikel 10, leden 1 en 2 van de richtlijn.


Overweging:

De verwijzende rechter acht het betoog van verzoekster gegrond. Op grond van artikel 10, lid 2, van de richtlijn kunnen de lidstaten gezinshereniging van niet in artikel 4 genoemde gezinsleden toestaan indien deze ten laste komen van de vluchteling. Wanneer de nationale wetgever een afwijkende regeling vaststelt en het recht uitbreidt naar andere gezinsleden van de vluchteling, mag hij geen voorwaarden opleggen die fundamenteel afwijken van de voorwaarden in de richtlijn. De verwijzende rechter merkt op dat volgens vaste rechtspraak inzake de Hongaarse bepaling, de hoedanigheid van ten laste komende persoon en de voorwaarde “wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien”  niet inhoudelijk samenvallen. De verwijzende rechter is daarom van oordeel dat om de aanvraag voor een verblijfstitel met als doel gezinshereniging van de zuster of broer van een als vluchteling erkende persoon die onderdaan is van een derde land te beoordelen eerste moet worden vastgesteld of de voor andere gezinsleden geldende voorwaarde “dependent on the refugee” van de richtlijn begripsmatig en inhoudelijk volledig overeenkomt met de uitdrukking “ten laste komen van de vluchteling” in de Hongaarse vertaling, en of de in de Hongaarse wet ten aanzien van broers en zusters van een als vluchteling toegelaten persoon gestelde voorwaarde “wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien” en de hoedanigheid van “dependent on the refugee” elkaar volledig overlappen, en zo niet, welk begrip geschikt is om het begripsmatig verschil tussen de respectievelijke uitdrukkingen op te heffen. Gelet op deze overwegingen is de rechter van oordeel dat de uitlegging van de gestelde vragen nodig is om een beslissing te kunnen nemen.


Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 10, lid 2, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad [van 22 september 2003] inzake het recht op gezinshereniging (hierna: „richtlijn”) aldus te worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat op grond van dit artikel de toegang toestaat van een gezinslid dat niet tot de in artikel 4 van de richtlijn genoemde kring van gezinsleden behoort, op dit gezinslid uitsluitend de in artikel 10, lid 2, gestelde voorwaarde („ten laste komen van de vluchteling”) kan worden toegepast?

2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, betekent de in artikel 4, lid 2, onder a), van de richtlijn bepaalde hoedanigheid „ten laste komen” („dependency”) een feitelijke situatie waarin de verschillende vormen van afhankelijkheid gezamenlijk en cumulatief aanwezig dienen te zijn, of is, naargelang de specifieke omstandigheden van het geval, het bestaan van één van deze vormen op zich al voldoende voor het bestaan van die hoedanigheid? Is, in deze samenhang, een nationale regeling die individuele afweging uitsluit en uitsluitend één feitelijk element (dat kenmerkend is voor de afhankelijkheid: „wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien”) aanmerkt als zijnde voldoende om aan de voorwaarde te voldoen, verenigbaar met de in artikel 10, lid 2, van de richtlijn gestelde voorwaarde („ten laste komen van de vluchteling”)?

3. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, dus indien de lidstaat andere voorwaarden kan toepassen naast de voorwaarde van artikel 10, lid 2, van de richtlijn („ten laste komen van de vluchteling”), betekent dit dat het de lidstaat vrij staat om welke andere voorwaarde ook, met inbegrip van de in artikel 4, leden 2 en 3, van de richtlijn voor andere gezinsleden genoemde voorwaarden, op te leggen, of mag de lidstaat uitsluitend de in artikel 4, lid 3, van de richtlijn genoemde voorwaarde toepassen? Indien dit laatste het geval is: wat voor feitelijke situatie betekent „objectively unable to provide for their own needs on account of their state of health” („wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien”) van artikel 4, lid 3, van de richtlijn? Moet deze formulering zo worden uitgelegd dat het gezinslid niet in staat is „in zijn eigen levensonderhoud te voorzien” of dat hij niet in staat is „voor zichzelf te zorgen”, of wellicht op een andere wijze?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-283/81 CILFIT e.a.

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb