C-522/18 Zakład Ubezpieczeń Społecznych

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    09 oktober 2018

Schriftelijke opmerkingen:                    20 november 2018 (fatale termijn)

Trefwoorden: rechtsstaat; pensioen; rechters; onafhankelijkheid

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;


Feiten:

In de voorbereidende fase van de behandeling van de rechtsvraag is bij de verwijzende rechtbank (Sąd Najwyższy) twijfel gerezen omtrent de uitlegging van verschillende Unierechtelijke bepalingen. Deze twijfel houdt verband met de aanwijzing van een rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy waarin twee rechters zetelen die op 02.08.2018 de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt. Krachtens het sinds 03.04.2018 geldende artikel 37§1 van de huidige wet inzake de Sąd Najwyższy (hierna: USN) gaat een rechter met pensioen zodra hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij hij van de Poolse president de toestemming krijgt om het ambt van rechter te blijven bekleden. Eén van deze rechters had de leeftijd van 65 jaar al bereikt vóórdat de wet van kracht is geworden en verklaarde in mei 2018 dat hij van plan is om door te gaan tot zijn 70ste. De Poolse president heeft na ontvangst van deze verklaring de procedure tot goedkeuring van het aanblijven van deze rechter ingeleid (deze procedure loopt nog). De andere rechter heeft de nieuwe pensioenleeftijd pas bereikt nádat de huidige USN van kracht is geworden. Overeenkomstig artikel 111§1a van de huidige USN gaat deze rechter met pensioen op 03.04.2019, tenzij hij vóór deze datum een verklaring indient houdende zijn intentie om het ambt van rechter te blijven bekleden, hij de daartoe vereiste attesten overlegt en de Poolse president – ook vóór die datum – ermee instemt dat hij het ambt van rechter blijft bekleden.


Overweging:

De Sąd Najwyższy is tot de slotsom gekomen dat een prejudiciële verwijzing op dit moment de enige doeltreffende manier is om de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat in de Poolse rechtsorde te waarborgen, alsook om het recht op een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen. Nu de rechtsstaat in Polen in crisis verkeert, kan alleen het Hof zonder politieke vooroordelen objectieve interpretatieve richtsnoeren aanreiken die vervolgens door de Sąd Najwyższy kunnen worden gehanteerd om te oordelen over de verenigbaarheid met het Unierecht van de verlaging van de pensioenleeftijd van zijn rechters, aldus de Sąd Najwyższy. Ook wordt verzocht om uitlegging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de rechters, met het oog op het feit dat het aanblijven van een rechter afhankelijk wordt gemaakt van een willekeurige beslissing van een orgaan van de uitvoerende macht.


Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU, artikel 4, lid 3, derde volzin, VEU, artikel 2 VEU, artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van schending van het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters, dat deel uitmaakt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en van het beginsel van de rechtsstaat, wanneer de nationale wetgever de pensioenleeftijd van de rechters van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, verlaagt (bijvoorbeeld van 70 naar 65 jaar) en de nieuwe, lagere pensioenleeftijd toepast op de rechters in dienst zonder de uiteindelijke beslissing tot gebruikmaking van de lagere pensioenleeftijd aan de betrokken rechter over te laten?

2. Moeten artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU, artikel 4, lid 3, derde volzin, VEU, artikel 2 VEU, artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47 van het Handvest, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van schending van het beginsel van de rechtsstaat en van de onafhankelijkheid die is vereist ter waarborging van een effectieve rechterlijke bescherming in zaken waarin het Unierecht aan de orde is, wanneer de nationale wetgever, in strijd met het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters, de gebruikelijke leeftijd tot welke een rechter van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, zijn functie mag uitoefenen, verlaagt van 70 naar 65 jaar en de mogelijkheid om het ambt van rechter te blijven bekleden laat afhangen van de discretionaire goedkeuring door een orgaan van de uitvoerende macht?

3. Moeten artikel 2 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16;

hierna: „richtlijn 2000/78”), in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van discriminatie op grond van leeftijd indien de pensioenleeftijd van de rechters van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, wordt verlaagd en voor een rechter in dienst van deze rechterlijke instantie die de nieuwe, lagere pensioenleeftijd heeft bereikt, de mogelijkheid om het ambt van rechter te blijven bekleden afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring door een orgaan van de uitvoerende macht?

4. Moeten de artikelen 2, 9 en 11 van richtlijn 2000/78 en de artikelen 21 en 47 van het Handvest, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat in het geval van discriminatie op grond van leeftijd van de rechters van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, erin bestaande dat de pensioenleeftijd van deze rechters wordt verlaagd van de huidige leeftijd van 70 jaar naar 65 jaar, deze rechterlijke instantie bij de behandeling van een zaak in een rechtsprekende formatie waarin een rechter zetelt die door de gevolgen van deze discriminerende nationale bepalingen wordt getroffen en niet te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van de nieuwe pensioenleeftijd, verplicht is om bij de beslechting van de prealabele kwestie van de rechtsprekende formatie de nationale bepalingen die in strijd zijn met richtlijn 2000/78 en artikel 21 van het Handvest buiten toepassing te laten en de behandeling van de zaak voort te zetten onder deelneming van deze rechter indien dit de enige doeltreffende manier is om de effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die deze rechter aan het Unierecht ontleent, te waarborgen?

5. Moeten artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU, artikel 4, lid 3, derde volzin, VEU, artikel 2 VEU, artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat

de rechtstaat als een dermate fundamentele waarde van de Europese Unie moet worden beschouwd dat in geval van twijfel omtrent de verenigbaarheid met deze waarde en met het daaruit voortvloeiende beginsel van effectieve rechterlijke bescherming – in de context van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de rechters in dienst – van nationale bepalingen waarbij de pensioenleeftijd van de rechters wordt verlaagd zoals beschreven in de vragen 1 en 2, de nationale rechterlijke instantie het recht moet hebben om de toepassing van de nationale bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters ambtshalve te schorsen met betrekking tot alle rechters die binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Associação Sindical dos Juízes Portugueses/Tribunal de Contas C-64/16; Minister for Justice and Equality C-216/18; Commissie/Hongarije C-286/12; Rosenbladt C-45/09; Simmenthal (C-106/77; Factortame e.a. C-213/89; Unibet C-432/05.

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZ; SZW
 

Gerelateerde documenten