C-523/18 Engie Cartagena

C-523/18 Engie Cartagena

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    03 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    19 november 2018

Trefwoorden: interne markt, energie

Onderwerp:

-           Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 96/92/EG;

-           Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van richtlijn 93/76/EEG van de Raad;

-           Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG;


Feiten:

De strategische doelstellingen van het actieplan 2008-2012 bestonden o.a. in de opname van energiebesparing en -efficiëntie in alle nationale strategieën. De financiële middelen hiervoor waren afkomstig van drie bronnen: de overheid (hierna: IDAE), de EFRO-structuurfondsen en door de elektriciteits- en gassector geherinvesteerde middelen ter verbetering van hun efficiëntie. Het IDAE wordt gefinancierd met EFRO-middelen en het nationaal fonds voor energie-efficiëntie (hierna: FNEE), waar bepaalde energiebedrijven aan bijdragen. Aanvankelijk werden de kosten van het actieplan in rekening gebracht als kosten van het systeem; zij werden betaald met de toegangsheffingen voor aardgas en elektriciteit. Deze situatie is gewijzigd bij wetsbesluit 14/2010, dat bepaalde dat het actieplan uitsluitend door onder de gewone regeling vallende producenten moest worden gefinancierd. Dat is geregeld in de derde aanvullende bepaling van dat wetsbesluit, waarin de elf bedrijven die moeten deelnemen aan de financiering en de percentages van hun deelneming zijn vermeld. Verzoekster stelde op 31.01.2014 administratief beroep in tegen het bestreden besluit. In haar beroep verzocht zij om nietigverklaring van het besluit en erkenning van het recht op schadevergoeding ten belope van de ontvangen bedragen. Bij beslissing van 24.06.2014 heeft het bestuursorgaan het beroep verworpen. Verzoekster stelt dat de derde aanvullende bepaling van wetsbesluit 14/2010 wegens strijdigheid met het Unierecht buiten toepassing moet worden gelaten. Verzoekster beroept zich op arresten van de hoogste rechterlijke instantie, waarin is verklaard dat de openbaredienstverplichting die bestaat in de financiering van de bono social (korting voor minvermogenden op de elektriciteitsfactuur), strijdig is met richtlijn 2009/72/EG. De landsadvocaat voert aan dat er geen sprake is van een openbaredienstverplichting, maar alleen van een vermindering van het tarieftekort, zodat artikel 3(2) van richtlijn 2009/72/EG niet van toepassing is voor de oplossing van het geding.


Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of de verplichte bijdrage van de elf in de derde aanvullende bepaling vermelde ondernemingen de beginselen die in artikel 3(2) van richtlijn 2009/72 en in richtlijn 2003/54 zijn bepaald, schendt, en of er sprake is van een door de staat opgelegde openbaredienstverplichting die niet op transparante, niet-discriminerende en controleerbare wijze is gedefinieerd en voor bedrijven een gelijke toegang tot consumenten waarborgt.


Prejudiciële vragen:

1. Vormt het volgende voorschrift uit de derde aanvullende bepaling van Real Decreto-Ley 14/2010, met het opschrift „Financiering van plannen voor energiebesparing en -efficiëntie voor de jaren 2011, 2012 en 2013”, een openbaredienstverplichting in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijnen 2003/54/EG en 2009/72/EG:


„1. De bedragen ten laste van het elektriciteitssysteem die zijn bestemd voor de financiering van het actieplan 2008-2012, dat is goedgekeurd bij akkoord van de ministerraad van 8 juli 2005, waarmee de maatregelen worden ingevoerd van het document ‚Strategie voor energiebesparing en –efficiëntie in Spanje 2004-2012’, dat is goedgekeurd bij akkoord van de ministerraad van 28 november 2003, welke bedragen voor de jaren 2011 en 2012 zijn vastgesteld op respectievelijk 270 miljoen EUR en 250 miljoen EUR, moeten worden gefinancierd door middel van de bijdrage van elk van de elektriciteitsproducenten, volgens de percentages van de hiernavolgende tabel:


Onderneming                              Percentage

Endesa Generación, S.A.               34,66

Iberdrola Generación, S.A.            32,71

GAS Natural S.D.G, S.A.               16,37

Hidroeléctrica del Cantábrico, S.A. 4,38

E.ON Generación, S.L.                  2,96

AES Cartagena, S.R.L.                  2,07

Bizkaia Energía, S.L.                    1,42

Castelnou Energía, S.L.                1,58

Nueva Generadora del Sur, S.A.    1,62

Bahía de Bizkaia Electricidad, S.L. 1,42

Tarragona Power, S.L.                  0,81

Totaal                                        100,00”?


2. Indien het daadwerkelijk een openbaredienstverplichting betreft, is zij dan duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Federutility e.a. C-265/08; ANODE C-121/15; Ruiz-Jarabo Colomer C-265/08.

Specifiek beleidsterrein: EZK