C-53/18

C-53/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    19 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    5 mei 2018

Trefwoorden: markten voor financiële instrumenten;

Onderwerp:
-           Richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad;

Feiten:

Verzoeker verricht handelingen als financieel adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten (voorheen: financieel tussenpersoon). Per brief van 13.02.2015 heeft de Consob (Commissione Nazionale per le Società e la Borsa), in haar hoedanigheid van toezichthouder op de sector, verzoeker in kennis gesteld van de inleiding van een procedure tot eventuele toepassing van een preventieve schorsing wegens een tegen hem lopende strafrechtelijke procedure. Bij besluit van 11.11.2015 heeft de Consob krachtens artikel 55(2) van wetsbesluit 58/1998 besloten tot de preventieve schorsing van verzoeker voor het verrichten van handelingen als financieel tussenpersoon gedurende een jaar. Met het onderhavige beroep komt verzoeker op tegen het schorsingsbesluit. De door de Consob opgelegde schorsing is volledig uitgevoerd. Verzoeker voert o.a. in zijn beroep aan dat artikel 55(2) van wetsbesluit 58/1998, waarop de omstreden schorsing is gebaseerd, onverenigbaar is met richtlijn 2004/39 en derhalve buiten toepassing dient te worden gelaten, voor zover zij voorziet in een maatregel die niet is toegestaan door de richtlijn en welke niet afhankelijk is van het feit dat niet langer voldaan is aan de betrouwbaarheidsvereisten (wat volgens de nationale regeling alleen het geval is bij definitieve veroordelingen) of van schending van de regels inzake de uitoefening van de functie.

Overweging:

De volgende vraag is in onderhavig geschil van doorslaggevend belang: is de schorsende maatregel ingevolge artikel 55(2) van wetsbesluit 58/1998 verenigbaar met richtlijn 2004/39, daarbij in aanmerking nemende de verschillende door de verzoekende partij naar voren gebrachte stellingen, mede gelet op de eigen beoordelingsvrijheid van de betrokken bevoegdheid en de bijzondere invloed van de gevolgen ervan op de positie van de adviseur/tussenpersoon. Dit soort maatregelen kan de financiële tussenpersoon ook voorgoed verhinderen zijn beroepsactiviteiten voort te zetten wanneer de vertrouwensrelatie met cliënten wordt aangetast. Aan de andere kant is de maximale schorsing waarin de wet voorziet (gelijk aan één jaar) volledig losgekoppeld van de duur van de onderliggende strafprocedure en lijkt het eerder een soort sanctie (die mogelijk concurreert met de eigenlijke sanctieprocedures waarin wetsbesluit 58/1998 voorziet).

Prejudiciële vragen:

1. Valt de verbonden agent (tied agent) onder de harmonisatie waarin richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 voorziet, en in welk opzicht?

2. Staat een nationale regeling, zoals die van artikel 55, lid 2, van wetsbesluit nr. 58 van 24 februari 1998 (houdende geconsolideerde bepalingen inzake financiële intermediairs overeenkomstig de artikelen 8 en 21 van wet nr. 52 van 6 februari 1996), zoals gewijzigd, alsmede artikel 111, lid 2, van besluit nr. 16190 van de Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob) van 29 oktober 2007 (verordening tot vaststelling van bepalingen tot uitvoering van wetsbesluit 58/1998 betreffende intermediairs), in de weg aan de juiste toepassing van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004, in het bijzonder de artikelen 8, 23 en 51 daarvan, en van de beginselen en regels van de Verdragen inzake non-discriminatie, evenredigheid, vrijheid van dienstverrichting en van vestiging, voor zover die nationale regeling

a)         de discretionaire bevoegdheid toekent tot het opleggen van een verbod tot uitoefening van de activiteit van „verbonden agent‟ (adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten - voormalig financieel tussenpersoon) wegens feiten die niet leiden tot het verlies van betrouwbaarheid, zoals gedefinieerd in het nationale recht, en die tegelijkertijd geen verband houden met de naleving van de regels ter uitvoering van de richtlijn;

b)         de discretionaire bevoegdheid toekent tot het opleggen van een verbod, voor maximaal één jaar, tot uitoefening van de activiteit van „verbonden agent” (adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten - voormalig financieel tussenpersoon) bij een procedure ter voorkoming van „strepitus‟ die het gevolg is van de tenlastelegging in strafprocedures die doorgaans veel langer dan een jaar duren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN